Let op: per 1 september worden nieuwe richtlijnen voor de masterscriptie van kracht. Onderstaande richtlijnen geven een goed beeld van de werkwijze, er kunnen echter geen rechten aan worden ontleend.

Omvang en opbouw

Studenten doen hun onderzoek en schrijven hun onderzoeksverslag in een periode van twee blokken (één semester).

De scriptie heeft een maximale omvang van 13.000 woorden, exclusief bijlagen.

Een scriptie omvat in ieder geval de volgende onderdelen:

  • een inleiding met probleemstelling en relevante overige onderzoeksvragen en de relevantie voor de kunst educatieve praktijk
  • een theoretisch kader en een beschrijving van de onderzoeksmethode
  • een kritische beschrijving van de stand van de academische kennis met betrekking tot het gestelde probleem aan de hand van de meest relevante literatuur en eventueel andere bronnen
  • een kritische verantwoording van de gebruikte bronnen alsook van het theoretisch en/of historiografisch kader
  • een betoog waarin de probleemstelling wordt uitgewerkt en onderzoeksgegevens worden geanalyseerd en gepresenteerd op een heldere en in verband met de vraagstelling, logische wijze. Geraadpleegde bronnen worden hierbij op academisch correcte wijze via (voet)noten verantwoord.
  • een conclusie met een kritische analyse van de onderzoeksresultaten en aanbevelingen voor de onderwijspraktijk, evenals suggesties voor verder onderzoek.
  • een bibliografie met geraadpleegde bronnen, eventueel aangevuld met een lijst met afbeeldingen en andere (audio)visuele bronnen
  • indien relevant: bijlage(n)

Het onderzoek wordt uitgevoerd op basis van een onderzoeksplan, dat is goedgekeurd door de eerste en tweede begeleider. Dit plan omvat ten minste een beknopte beschrijving van:

  • aanleiding probleemstelling en beoogde praktijkrelevantie
  • schets van het beoogde theoretische kader
  • onderzoeksvragen uitgewerkt in hoofd- en deelvragen en eventuele hypotheses
  • plan van aanpak (onderzoeksmethode)
  • opzet (voorlopige hfd. indeling)
  • beschikbare bronnen en eventueel nog te ontwikkelen materialen en instrumenten
  • tijdplanning
  • voorlopige bibliografie

De scriptie (incl. onderzoeksplan) heeft een omvang van 20 EC. Eventueel is uitbreiding naar 25 EC in overleg mogelijk op de volgende wijzen:

  • Relevante theoretische verdieping en/of uitbreiding van vragen, onderzoeksmethodes of omvang van de gegevens
  • Substantiële ontwikkeling en validering van educatieve of communicatieve materialen of toetsinstrumenten
  • Substantiële praktijkimplementatie plus evaluatie 
  • Substantiële verlenging van een stage ten behoeve van de verkenning of beantwoording van de onderzoeksvraag en/of de implementatie van de resultaten

In alle gevallen wordt in het onderzoeksplan vastgelegd of, en op welke onderdelen, een uitbreiding plaatsvindt en waaraan deze uitbreiding zal voldoen.

Uitvoering, begeleiding en beoordeling

Het schrijven van een masterscriptie vindt plaats onder begeleiding van een lid van de wetenschappelijke staf van de opleiding met de relevante expertise om het betreffende onderzoek te begeleiden. Deze begeleider leest een of meerdere versies van aangeleverde teksten (hoofdstukken), geeft feedback en stelt in het algemeen de student in staat zo succesvol mogelijk te voldoen aan de eisen van de masterscriptie.

De tweede begeleider wordt gekozen in overleg. Deze begeleider beoordeelt zowel de onderzoeksopzet aan het begin van het traject als het definitieve eindproduct, maar hij/zij is verder niet direct bij de begeleiding betrokken.

Begeleiding kan zowel individueel plaatsvinden als in scriptiegroepjes waarin studenten gedurende een semester samenwerken en elkaar feedback geven.

Alle docenten betrokken bij de track Kunstgeschiedenis: Moderne en Hedendaagse kunst: theorie, kritiek en beroepspraktijk komen in aanmerking als begeleider, evenals de bij het vakgebied betrokken (vak)didactici.    

Begeleiding
Het afstudeeronderzoek en het schrijven van de daarop gebaseerde scriptie wordt begeleid door een eerste begeleider uit een relevant vakgebied. De eerste begeleider benadert een tweede begeleider, in overleg met de student. De tweede begeleider fungeert gewoonlijk als tweede beoordelaar.

Ten minste een van beide begeleiders is verbonden aan het (bachelor)programma van de betreffende discipline. Deze begeleider beoordeelt ook het taalniveau van de scriptie. De toetsing van het onderzoeksplan en de eindbeoordeling vindt plaats door beide begeleiders.

Beide begeleiders zijn in principe gepromoveerde docenten. Hiervan kan worden afgeweken als een inhoudelijk betere match tussen expert-begeleider en student daartoe aanleiding geeft. Een begeleider beschikt te allen tijde minimaal over een Basiskwalificatie Onderwijs.

De begeleiding wordt door de eerste begeleider verzorgd, waarbij zowel over het onderzoeksplan, de opzet en uitvoering van het onderzoek als de verslaglegging gesproken wordt. De begeleiding bestaat uit minimaal drie begeleidingsgesprekken.

Onderzoeksplan
Het opstellen van het onderzoeksplan wordt begeleid door de eerste begeleider. Het onderzoeksplan zelf vraagt een gedegen voorbereiding en inspanning door de student. De tijdsinvestering in het onderzoeksplan kan oplopen tot maximaal 5 EC. Dat oogt omvangrijk maar is te begrijpen doordat hierbij belangrijke keuzen worden gemaakt en beargumenteerd die onderdeel zijn (qua inhoud en tekst) van het eindwerkstuk. Het onderzoeksplan wordt - na beoordeling door de tweede begeleider - formeel vastgesteld, op basis van beoordelingsschema I. De tweede begeleider komt vervolgens bij de eindbeoordeling pas weer in actie (hiervan kan in onderling overleg worden afgeweken, bijvoorbeeld vanwege specifieke expertise van de tweede begeleider). 

Beoordeling 
De eindbeoordeling van de masterscriptie komt tot stand door het onafhankelijk van elkaar invullen van het beoordelingsschema II en de gezamenlijke bespreking door de beide begeleiders. De eerste begeleider voegt de beide beoordelingen samen in een gezamenlijk document. Als er verschil van inzicht blijkt te zijn, kan het duo besluiten een derde beoordelaar te consulteren. Als de voorgestelde becijfering van een scriptie - na overleg - meer dan 1,5 punten verschilt, of bij een verschillend oordeel voldoende/onvoldoende, moet een derde beoordelaar, i.c. een ter zake kundige hoogleraar, in de beoordeling worden betrokken.

Beoordelingsschema
Het beoordelingsschema I (behorend bij het onderzoeksplan) voorziet in feedback die erop gericht is de uitvoering van het afstudeertraject te verbeteren. De feedback die wordt opgenomen in beoordelingsschema II (behorend bij de eindversie) dient vooral het doel om te voorzien in een inhoudelijke onderbouwing van de beoordeling.

Aanspreekpunt bij het vinden van een begeleider

Je eerste aanspreekpunt in het vinden van een passende begeleider is de mastercoördinator Niels Nannes. Samen met jou gaat hij op zoek naar een beschikbare docent die over de expertise beschikt om jou bij je onderzoek te begeleiden. De tweede begeleider is altijd een vakdidacticus.

Als je geen onderwerp weet, of twijfelt tussen onderwerpen, neem dan (in een vroeg stadium) contact op met je tutor of de mastercoördinator, dan kunnen de (on)mogelijkheden gezamenlijk verkend worden. De specifieke opzet, invulling en planning bespreek je natuurlijk met je begeleider. Het is verstandig dit in een vroeg stadium te doen, zeker als je van plan bent je scriptie te koppelen aan een stage, en/of gegevens in een praktijksituatie te verzamelen.

Neem contact op met Niels Nannes (n.j.nannes@uu.nl).