Let op: per 1 september worden nieuwe richtlijnen voor de masterscriptie van kracht. Onderstaande richtlijnen geven een goed beeld van de werkwijze, er kunnen echter geen rechten aan worden ontleend.

Het onderwerp van de scriptie valt op verschillende manieren te thematiseren:

Politiek-institutioneel

De reikwijdte en invloed van politieke besluitvorming op het (geschiedenis)onderwijs. In het bijzonder vervult geschiedenisonderwijs een belangrijke rol in burgerschapsvorming. Dat komt onder andere naar voren in de door de overheid geformuleerde kerndoelen. Historisch onderzoek naar de rol van (geschiedenis)onderwijs in de vorming van de burger kan de docent meer inzicht geven in zijn/haar rol als opleider in brede context. Daarbij kan het accent liggen op de rol van bijvoorbeeld inter-, supra- en nationale instanties, beroepsverenigingen, en de academische wereld.

Cultureel/historisch pedagogisch.

Aan de invulling van onderwijs in het algemeen en geschiedenisonderwijs in het bijzonder liggen ideeën over cultuur, onderwijs en opvoeding ten grondslag. Een didactisch gevormd historicus kan de implementatie van deze ideeën in (vernieuwende) onderwijsvormen, in lesmethodes, in nieuwe media en/of jeugdliteratuur onderzoeken. Hij/zij zal signaleren dat kennis die bijvoorbeeld in lesmethodes wordt gepresenteerd soms op gespannen voet staat met nieuwe wetenschappelijke inzichten. Onderzoek naar een dergelijk spanningsveld kan inzicht in de verhouding tussen geschiedenisonderwijs in het voortgezet onderwijs en het academisch onderwijs in de geschiedenis verhelderen en de communicatie bevorderen. De aard van een cultuurhistorische scriptie strekt zich tevens uit tot de geschiedtheorie.

Erfgoedstudies, Publieksgeschiedenis

De docent geschiedenis is bij uitstek de persoon die een brug slaat tussen academische geschiedbeoefening en vertaling van de kennis en inzichten daaruit naar een breder publiek. Onderzoek kan worden gedaan naar bijvoorbeeld (al dan niet georkestreerde) herinneringscultuur, de rol die (materieel en/of immaterieel) erfgoed speelt in het vormen van een collectieve identiteit, de rol die geschiedenis kan spelen in nationale traumaverwerking of sensitive history, de manier waarop geschiedenis wordt gebruikt in films, apps en games, living history, (pedagogische of politieke) doel van een museale- of erfgoedpresentatie,  etcetera. De onderzoeksvraag kan tevens kritisch-analytisch zijn, waar thema’s denkbaar zijn als een analyse van het history-heritage debat, of debatten over authenticiteit en/of shared authority.

Het onderscheid tussen deze drie categorieën is in zoverre kunstmatig, dat de praktijk veelal zal uitwijzen dat zowel het politieke, culturele als publieke perspectief in wisselende combinaties denkbaar zijn.

Het onderwerp van de scriptie wordt bij voorkeur verbonden aan 1.) het praktijkgerichte onderzoek dat tijdens het beroepsvoorbereidende deel wordt uitgevoerd, 2.) één van de vakdidactische opdrachten, in de vorm van uitbreiding, verdieping, implementatie en/of effectmeting, 3.) een binnen het vakinhoudelijk deel gevolgde cursus of aan een stage in een andere dan een instelling voor Voortgezet Onderwijs. Voorwaarde is dat de verbinding in een onderzoeksplan wordt geëxpliciteerd.

Doelen

In de scriptie geeft de student blijk van de volgende einddoelen:
 

  • kennis van de wetenschappelijke literatuur en historiografische traditie met betrekking tot het onderwerp van de scriptie;
  • het vermogen om zelfstandig een relevante casus te kiezen en een relevante onderzoeksvraag te formuleren die een verwantschap vertoont met geschiedenis in relatie tot educatie en communicatie, en deze vraag in een met een conclusie afgerond betoog te beantwoorden;
  • het vermogen om zelfstandig literatuur en ander bronnenmateriaal te verzamelen en te verwerken;
  • het vermogen om zelfstandig onderzoek uit te voeren; het vermogen om op academisch niveau helder en leesbaar te schrijven.

De masterscriptie Geschiedenis: educatie en communicatie kan gaan over vele onderwerpen. Voorbeelden van scripties van de afgelopen jaren zijn:

  • Geschiedeniscurricula bezien vanuit het perspectief van de ontwikkelingspsychologie. 
  • Politieke cultuur rond de totstandkoming van de onderwijshervorming van 1968.
  • Contexten van burgerschapsvorming in acht casussen in het Nederlandse geschiedenisonderwijs vanaf 2006.
  • Nederlandse burgerschapsvorming in Europees perspectief.
  • History Contested: de schoolvakken Maatschappijleer en Geschiedenis in de jaren 1960.
  • Erfgoededucatie als middel en als doel in het geschiedenisonderwijs na 1990.
  • Metanarratieven in nationale herdenkingen, 1950-2000
  • Gevoelige Geschiedenis. Slavernij en Holocaust in Nederlandse lesmethodes, 1940-1950 en 2000-2010.
  • Nationaal sentiment in lesmethodes: een vergelijkend onderzoek in de Verenigde Staten, Canada en Frankrijk.
  • Nellie van Kol (1851-1930). De Volks-kinderbibliotheek en de Reformbeweging.
  • Gouden Tijden Herleven. De visuele representatie van de Gouden Eeuw in het geschiedenisonderwijs 1995-2012.
  • De invloed van de Mammoetwet en veranderende vormingsidealen op het geschiedenisonderwijs op het Thorbecke College in Utrecht, 1880-1980.
  • Verloren oorlog? De Eerste Wereldoorlog in het Nederlands voortgezet onderwijs, 1927-1996.
  • Zwarte bladzijden door een roze bril. Schaduwkanten van het Nederlandse koloniale verleden in de eenentwintigste-eeuwse geschiedeniscanons van het voortgezet onderwijs.
  • Wat valt er nog te vieren? Bevrijdingsdag door de jaren heen.
  • Oktober 1944. Putten en de herinnering aan de razzia van 1944.
  • Toen was toen, nu is nu. Over de functie van immaterieel erfgoed bij de ontwikkeling van historisch besef bij jongeren.
  • Actief burgerschap in binnen- en buitenschoolse context.
  • Vaderlandslievendheid in het 19e-eeuwse geschiedenisonderwijs in Nederland en Vlaanderen.

Een volledig overzicht van alle scripties is terug te vinden op het digitale scriptiearchief van de UU .