Let op: per 1 september worden nieuwe richtlijnen voor de masterscriptie van kracht. Onderstaande richtlijnen geven een goed beeld van de werkwijze, er kunnen echter geen rechten aan worden ontleend.

Richtlijnen Masterscriptie Talenonderwijs en communicatie
Graduate School of Teaching / Geesteswetenschappen

Algemeen kader masterscriptie Graduate School of Teaching / Geesteswetenschappen
De educatieve masterscriptie is een proeve van onderzoeksbekwaamheid vanuit de vakinhoudelijke discipline (Talen, Geschiedenis, Kunstgeschiedenis) met aantoonbare relevantie voor het onderwijs of andere toepassingen in het educatieve domein. De scriptie heeft een minimale omvang van 20 EC, met een mogelijke uitbreiding naar 25 EC, en wordt geschreven tijdens de Onderzoeksmodule van het tweejarige masterprogramma Educatie en Communicatie.

Kader masterscriptie Talenonderwijs en communicatie
De scriptie is een onderzoeksproeve op een educatief onderwerp gerelateerd aan vakgebied X in taal Y, waarbij de student een relevante koppeling maakt tussen theorie en educatieve praktijk en daarmee een bijdrage levert aan de wetenschappelijke discussie over de educatie van vakgebied X.

De student is in staat om wetenschappelijke literatuur over vakinhoudelijke en vakdidactische onderwerpen kritisch te lezen. De student kan uit deze literatuur een vraagstelling afleiden die relevant is voor de taalonderwijspraktijk, en deze vervolgens op basis van onderzoek beantwoorden. Ook de omgekeerde weg is mogelijk: vanuit een praktijkrelevante vraag inventariseert de student relevante literatuur, om te komen tot een onderbouwde en goed ingebedde onderzoeksvraag.

Het onderzoek kan beschrijvend, vergelijkend, evaluerend, verklarend en/of ontwerpend van aard zijn. De student kan de verzamelde gegevens kwalitatief en/of kwantitatief analyseren en hiervan verslag doen op academisch niveau. Afhankelijk van de taalspecifieke invulling van het masterprogramma wordt de scriptie geschreven in de desbetreffende taal. In alle gevallen wordt verlangd dat de scriptie – ongeacht de taal waarin hij gesteld is – wat betreft spelling en grammatica foutloos is, en daarnaast helder geformuleerd en stilistisch adequaat.

Inhoud en focus

De scriptie geeft inzicht in de relatie tussen wetenschappelijk vakinhoudelijk onderzoek aan de ene kant, en de vakdidactiek en de praktijk van het talenonderwijs aan de andere kant.

De scriptie wordt bij voorkeur verbonden aan:
 

  1. een verplichte of vakspecifieke cursus uit het vakinhoudelijke deel;
  2. het praktijkgerichte onderzoek;
  3. een van de vakdidactische opdrachten; en/of
  4. een van de keuzecursussen uit het beroepsvoorbereidende deel.

De scriptie geeft inzicht in de relatie tussen wetenschappelijke vakinhoudelijke en vakdidactische theorieën aan de ene kant en aspecten van de taalonderwijspraktijk aan de andere. In alle domeinen van taalonderwijs zijn theses mogelijk: taalvaardigheid, taalontwikkeling, taalbewustzijn, taalbeschouwing, literaire competentie (literaire ontwikkeling, literaire begrippen, literatuurgeschiedenis, literaire canon, literatuur en diversiteit), geschiedenis van het taalonderwijs, internationale context van het taalonderwijs, taalonderwijs en media, interculturele competentie, interactie in de klas, enz. In alle gevallen geldt dat de relevantie van het onderzoek voor de educatieve praktijk wordt verantwoord. Afhankelijk van de reikwijdte kan dit op verschillende curriculumniveaus plaatsvinden: leeractiviteit, les, leerlijn, onderwijsprogramma, onderwijsbeleid. Focus van onderzoek kan zijn de leerling, de docent of het les- of toetsmateriaal; het onderzoek kan zich zowel richten op het leerproces als op het leerresultaat. Het onderzoek richt zich op het voortgezet onderwijs, maar in overleg is ook onderzoek mogelijk naar taal in het basis-, beroeps- of hoger onderwijs, volwasseneneducatie of publiekseducatie.

In de scriptie geeft de student blijk van het behalen van de volgende einddoelen:
 

  • kennis van relevante wetenschappelijke vakinhoudelijke en vakdidactische literatuur m.b.t. het onderwerp van de scriptie;
  • het vermogen om zelfstandig een adequate onderzoeksvraag te formuleren die ingebed is in het vakgebied en relevant voor de educatieve praktijk;
  • het vermogen om zelfstandig literatuur en ander bronnenmateriaal te verzamelen en te verwerken;
  • het vermogen om zelfstandig onderzoek uit te voeren (inclusief het ontwerpen en toepassen van relevante onderwijs-, toets- en analysematerialen indien van toepassing);
  • het vermogen om de onderzoeksvraag op basis van een gefundeerd betoog te beantwoorden en met een conclusie af te ronden;
  • het vermogen om relevante en onderbouwde aanbevelingen te doen voor de onderwijspraktijk;
  • het vermogen om op woord-, zins- en tekstniveau helder en verzorgd academisch te schrijven, in de taal van studie en publieksgericht.

Omvang en opbouw

Studenten doen hun onderzoek en schrijven hun onderzoeksverslag in een periode van twee blokken (één semester).

De masterscriptie heeft een maximale omvang van 10.000 woorden exclusief evt. bijlagen, en moet gericht zijn op geïnteresseerde docenten, docenten-in-opleiding en onderzoekers.

Een scriptie omvat in ieder geval de volgende onderdelen:
 

  • Aanleiding, probleemstelling en beoogde praktijkrelevantie
  • Theoretisch kader
  • Onderzoeksvragen
  • Onderzoeksmethode
  • Analyse/Resultaten
  • Discussie en conclusie, met aanbevelingen voor de educatieve praktijk
  • Geraadpleegde bronnen
  • Ontwikkelde materialen en instrumenten worden opgenomen in de bijlage

Het onderzoek wordt uitgevoerd op basis van een plan dat is goedgekeurd door eerste en tweede begeleider. Dit onderzoeksplan omvat ten minste een beknopte beschrijving van:
 

  • Aanleiding, probleemstelling en beoogde praktijkrelevantie
  • Korte schets van het beoogde theoretische kader, met voorlopige bibliografie
  • Onderzoeksvragen eventueel uitgewerkt in hoofd- en deelvragen en hypotheses
  • Plan van aanpak (onderzoeksmethode)
  • Inschatting van beschikbaarheid van bronnen en van beschikbare of nog te ontwikkelen materialen en instrumenten
  • Tijdplanning

Een gedegen onderzoeksplan kan een tijdsinvestering omvatten tot 5 EC, en wordt in de eerste maand afgerond.

De scriptie (incl. onderzoeksplan) heeft een omvang van 20 EC. Eventueel is uitbreiding naar 25 EC in overleg mogelijk op de volgende manieren:
 

  • Relevante theoretische verdieping en/of uitbreiding van vragen, onderzoeksmethodes of omvang van de dataset
  • Substantiële ontwikkeling en validering van educatieve materialen of toetsinstrumenten
  • Substantiële praktijkimplementatie plus evaluatie
  • Stage buiten de eigen lespraktijk, ten behoeve van de verkenning of beantwoording van de onderzoeksvraag en/of de implementatie van de resultaten

In alle gevallen wordt in het onderzoeksplan vastgelegd of en op welke onderdelen een uitbreiding plaatsvindt, en waaraan deze uitbreiding zal voldoen.

Uitvoering, begeleiding en beoordeling

Docenten die vanuit de departementen Talen, Literatuur en Communicatie en Educatie betrokken zijn bij de Graduate School of Teaching kunnen onderzoeksthema’s voordragen via een Blackboard scriptie omgeving. Docenten streven ernaar om studenten te begeleiden in afstudeerkringen/scriptiegroepen, waarin studenten gedurende twee blokken samenwerken en elkaar feedback geven. Bij complexe onderzoeksvragen is het mogelijk dat twee studenten werken aan complementaire deelvragen binnen hetzelfde onderzoeksthema; schriftelijke onderzoeksverslaglegging via de scriptie gebeurt echter individueel, waarbij afspraken gemaakt worden over eventuele overlappende onderdelen.

Begeleiding
Het afstudeeronderzoek en het schrijven van de daarop gebaseerde scriptie wordt begeleid door een eerste begeleider uit een relevant vakgebied. De eerste begeleider benadert een tweede begeleider, in overleg met de student. De tweede begeleider fungeert gewoonlijk als tweede beoordelaar.

Ten minste een van beide begeleiders is verbonden aan het (bachelor)programma van de betreffende discipline. Deze begeleider beoordeelt ook het taalniveau van de scriptie. De toetsing van het onderzoeksplan en de eindbeoordeling vindt plaats door beide begeleiders.

Beide begeleiders zijn in principe gepromoveerde docenten. Hiervan kan worden afgeweken als een inhoudelijk betere match tussen expert-begeleider en student daartoe aanleiding geeft. Een begeleider beschikt te allen tijde minimaal over een Basiskwalificatie Onderwijs.

De begeleiding wordt door de eerste begeleider verzorgd, waarbij zowel over het onderzoeksplan, de opzet en uitvoering van het onderzoek als de verslaglegging gesproken wordt. De begeleiding bestaat uit minimaal drie begeleidingsgesprekken.

Onderzoeksplan
Het opstellen van het onderzoeksplan wordt begeleid door de eerste begeleider. Het onderzoeksplan zelf vraagt een gedegen voorbereiding en inspanning door de student. De tijdsinvestering in het onderzoeksplan kan oplopen tot maximaal 5 EC. Dat oogt omvangrijk maar is te begrijpen doordat hierbij belangrijke keuzen worden gemaakt en beargumenteerd die onderdeel zijn (qua inhoud en tekst) van het eindwerkstuk. Het onderzoeksplan wordt - na beoordeling door de tweede begeleider - formeel vastgesteld, op basis van beoordelingsschema I. De tweede begeleider komt vervolgens bij de eindbeoordeling pas weer in actie (hiervan kan in onderling overleg worden afgeweken, bij voorbeeld vanwege specifieke expertise van de tweede begeleider).

Beoordeling 
De eindbeoordeling van de masterscriptie komt tot stand door het onafhankelijk van elkaar invullen van het beoordelingsschema II en de gezamenlijke bespreking door de beide begeleiders. De eerste begeleider voegt de beide beoordelingen samen in een gezamenlijk document. Als er verschil van inzicht blijkt te zijn, kan het duo besluiten een derde beoordelaar te consulteren. Als de voorgestelde becijfering van een scriptie - na overleg - meer dan 1,5 punten verschilt, of bij een verschillend oordeel voldoende/onvoldoende, moet een derde beoordelaar, i.c. een ter zake kundige hoogleraar, in de beoordeling worden betrokken.

Beoordelingsschema
Het beoordelingsschema I (behorend bij het onderzoeksplan) voorziet in feedback die erop gericht is de uitvoering van het afstudeertraject te verbeteren. De feedback die wordt opgenomen in beoordelingsschema II (behorend bij de eindversie) dient vooral het doel om te voorzien in een inhoudelijke onderbouwing van de beoordeling.

Praktische zaken

De masterscriptie Talenonderwijs kan gaan over vele onderwerpen. Voorbeelden van scripties van de afgelopen jaren zijn:
 

  • Literature Village: Literature and Speaking Education Combined. Ideas to enhance literature and speaking education in the subject of English at Dutch secondary schools;
  • Selling Seashells: English Pronunciation Training in Dutch Secondary Schools
  • Lo dicho y no dicho: la comunicación entre madre e hija, un análisis personal y literario
  • L'acquisition du genre grammatical en français langue étrangère - Étude de la problématique des étudiants néerlandais apprenant le français langue étrangère
  • Spielfilme im DaF-Unterricht. Jetzt aber richtig!
  • Wortschatzerwerb mit Lehrwerken für den Deutschunterricht an niederländischen Oberschulen: eine Analyse der Lehrwerke Na klar!, Neue Kontakte und TrabiTour
  • Spellen volgens de referentieniveaus: Een onderzoek naar de spellingsvaardigheid van leerlingen aan het eind van het primair en voortgezet onderwijs
  • Observeren of analyseren? Een experimenteel onderzoek naar de toepasbaarheid van de observerend-lerendidactiek

In een vroeg stadium kies je een begeleider die gespecialiseerd is op het onderwerp van jouw scriptie. Dat kan ofwel een docent van jouw taal zijn (Duits: Ewout van der Knaap, Doris Abitzsch; Engels: Rias van den Doel, René Kager, Ton Hoenselaars; Frans: Frank Drijkoningen, Bert le Bruyn; Spaans: Kristi Jauregi; Nederlands: Huub van den Bergh, Jacqueline Evers, Feike Dietz), ofwel een specialist op het gebied van de taalonderwijs- of cultuuronderwijskunde, zoals Rick de Graaff.

Als de beoogde begeleider zich niet voldoende competent acht op het onderwerp van jouw scriptie, dan kan deze je doorverwijzen naar een docent die dat wel is. Als je geen onderwerp weet, of twijfelt tussen onderwerpen, neem dan (in een vroeg stadium) contact op met je tutor, dan kunnen de (on)mogelijkheden gezamenlijk verkend worden. De specifieke opzet, invulling en planning bespreek je natuurlijk met je begeleider. Het is verstandig dit in een vroeg stadium te doen, zeker als je van plan bent gegevens bij leerlingen te verzamelen.