Studieprogramma Master communicatie en organisatie

Het masterprogramma Communicatie en Organisatie heeft een studielast van 90 EC. In het programmaboek staat alle informatie die je aan het begin van het studiejaar nodig hebt.

Studieopbouw

  • Ga naar de Cursusplanner voor een overzicht van je examenprogramma en de bijbehorende cursussen. Let op dat je het juiste collegejaar kiest!
  • Hieronder staat een uitgebreidere omschrijving van de verschillende onderdelen van je studieprogramma.

Ingangseisen

Kijk goed naar de ingangseisen van de cursussen en of er een plaatsingscommissie is.

In het eerste jaar starten we met de cursus Communicatie en organisatie, waarin we het basisidee voor de opleiding centraal stellen: de relatie tussen theorie en praktijk. Over allerlei thema’s (mediakeuze, usability, documentontwerp) lees je telkens een theoretisch en een praktisch georiënteerd artikel. Door die combinatie ga je zien dat achter elke praktijk een theorie schuilgaat, en andersom. Over de literatuur wordt een tentamen afgenomen. Daarnaast verken je zelf de praktijk door een interview met een communicatieprofessional.

Centraal in het programma staan cursussen over de vier domeinen waarop organisaties communiceren. Dit eerste domeinvak is Management en communicatie, en gaat over de communicatie die managers nodig hebben voor het uitvoeren van hun vier taken: plannen, organiseren, leidinggeven en controleren. De cursus laat zien dat er verschillende manieren van denken zijn over management, en dus ook over managementcommunicatie. Daarnaast zal blijken dat effectieve managementcommunicatie belangrijk is, maar dat die effectiviteit afhangt van de manier waarop deze communicatie ingebed is het geheel van formele en informele communicatie op de werkvloer. Wat betreft opdrachten loopt je in deze cursus een dag mee met een manager en doe je een interviewonderzoek naar een communicatiekwestie in een organisatie.

Het tweede domein is Reputatiemanagement. Organisaties moeten ervoor zorgen dat hun uitingen continu worden afgestemd op de identiteit die ze willen uitdragen aan stakeholders. De vraag is hoe ze dat zo effectief doen, zowel onder ‘normale’ omstandigheden als ten tijde van crises. In de cursus hebben we speciale aandacht voor de verbetering van communicatieprocessen in een organisatie, (crisis)communicatiestrategieën en de rol van (nieuwe) media. Je analyseert de communicatie in een zelfgekozen casus waarin de reputatie van een organisatie op het spel stond.

Het derde domein is Gedragsbeïnvloeding. Vrijwel alle organisaties proberen via communicatie het gedrag van hun doelgroep te beïnvloeden. Bedrijven geven geld uit aan reclamecampagnes om hun producten te verkopen, de overheid wil dat mensen gezonder gaan eten en gemeentes willen dat zij hun afval gaan scheiden. In deze cursus gaan we na wanneer en hoe communicatie (zoals in reclame, sociale media en entertainment-education) zulk gedrag kan beïnvloeden. Je doet een experiment over de persuasieve effecten van inhoud en stijl van de boodschap, of die van het gebruikte medium. Daarnaast is er aandacht voor ethische vragen rond persuasieve communicatie.

Het laatste domein is Voorlichting en klantencommunicatie. Het meeste externe communicatiewerk besteden organisaties nog steeds aan de doelgroepleden waarmee zij al een relatie hebben: dus met klanten, cliënten, patiënten, burgers, leden e.d. Die communicatie moet ervoor zorgen dat al die mensen zo veel mogelijk profijt hebben van de producten en diensten van de organisatie, of dat nu computers, behandelingen, bouwvergunningen of sportfaciliteiten zijn. In deze cursus gaat het dus helderheid en gebruiksvriendelijkheid, bijvoorbeeld in productinformatie, in helpdesks, en in tools die helpen bij het kiezen van producten en diensten. Je doet een corpusonderzoek naar een zelfgekozen vorm van klantencommunicatie.

Naast de domeincursussen zijn er cursussen over vaardigheden. In het eerste blok richt je je op methodische vaardigheden. De cursus Communicatie monitoren voor organisaties gaat over methoden om de effectiviteit van communicatieproducten en –processen te onderzoeken. Elke methode heeft sterke én zwakke kanten. Je kunt alleen een goede methodenmix kiezen als je weet wat er met een methode kán, en als je weet welke communicatieve effecten eigenlijk beoogd zijn met een boodschap. In deze cursus oefenen we het analyseren van boodschappen op functie, inhoud en formulering, en daarna het observeren van verwerkingsprocessen van lezers.

Een andere methodencursus richt zich op Vragenlijsten en interviews. Onderzoek onder communicatiedeelnemers maakt vrijwel altijd gebruik van vragenlijsten en interviews. In deze cursus leer je welke varianten er bestaan van beide methoden, en voor welke onderzoeksvragen die varianten geschikt zijn. Daarbij leer je ook wat het verschil is tussen gesloten en meer open vragen, en tussen beschrijvende en verklarende vragen. Want of je nu theoretisch of toegepast onderzoek doet, je moet weten met welk soort vraag je bezig bent. Je maakt zelf een vragenlijst om de stof toe te passen.

In blok 2 werk je aan je vaardigheden wat betreft Academisch en professioneel schrijven.  Goed schrijven is een kwestie van kennis en kunde. Je moet weten aan welke eisen bepaalde genres moeten voldoen en die eisen kunnen toepassen als je schrijft. Tijdens je studie heb je vooral kennisgemaakt met academische genres: artikelen, onderzoeksverslagen, etc. In deze cursus bereiden we je kennis uit naar nieuwe genres, zoals adviesrapporten en klantencorrespondentie. Daarbij oefen je in het schrijven volgens algemene en organisatiegebonden normen. We schaven aan je stilistische vaardigheden en aan je vermogen om teksten van anderen kritisch-constructief te becommentariëren.

In het derde cursusblok vergroot je je vaardigheden wat betreft Data-analyse en datavisualisatie. Om mensen ervan te overtuigen dat bepaalde communicatie effectief is, moet je verstandig met data kunnen omgaan. In deze cursus gaan we daarom, voortbouwend op de statistische kennis die je al hebt, in op regressieanalyse en variantieanalyses met herhaalde metingen. Daarnaast bespreken we methoden om data visueel te presenteren. Daarbij zal blijken dat dezelfde data helder en minder helder gepresenteerd kunnen worden, en dat de presentatie de ontvanger subtiel in de richting van bepaalde conclusies kan sturen. Je oefent in het presenteren van data uit eigen onderzoek dat je doet in andere cursussen in dit blok.

Aan het eind van het eerste jaar laat je in het Onderzoeksseminar zien dat je beschikt over academische onderzoekskwalificaties. Je werkt daarbij in kleine intervisiegroepen van zes studenten, die samen op een bepaald onderzoeksterrein werken, ieder op een eigen thema. Jaarlijks worden er 5-7 thema’s aangeboden, gespreid over de bovengenoemde  vier communicatiedomeinen.

Het laatste half jaar besteed je aan Stage en Interventieonderzoek. In je stage werk je mee aan communicatiewerkzaamheden in je stageorganisatie, waarbij je werkt aan nieuwe professionele schrijf- en communicatievaardigheden, aan toegepaste onderzoeksvaardigheden en aan vaardigheden op het terrein van plannen en samenwerken. In je interventieonderzoek kies je een communicatieprobleem uit om onderzoek naar te doen. Dat onderzoek is enerzijds je afstudeerscriptie, en moet anderzijds nuttig zijn voor de stage-organisatie.

Exameneisen

Bij aanvang van je studie word je ingeschreven voor het examenprogramma van je master. Wat dit is, staat uitgebreid beschreven in de Onderwijs- en Examenregeling (OER) (art. 3.5.4). Hierin staat ook aan welke eisen je moet voldoen om de kunnen afstuderen

Studievoortgangsoverzicht (SVO)

Op je studievoortgangsoverzicht staan al je behaalde resultaten. Ook zie je in hoeverre je aan de exameneisen voldoet. Je kunt je studievoortgangsoverzicht raadplegen in OSIRIS onder het tabblad ‘Voortgang’. 

 

Als je wilt afwijken van je examenprogramma, moet je van tevoren goedkeuring of vrijstelling vragen aan de examencommissie van je opleiding. Als je verzoek wordt goedgekeurd, wordt dit uiteindelijk ook opgenomen in OSIRIS, en verwerkt in je examenprogramma en studievoortgangsoverzicht.

Je studeert af als de examencommissie van je opleiding op basis van je studievoortgangsoverzicht en de voor jou geldende OER heeft geconstateerd dat je aan alle eisen van je examenprogramma hebt voldaan. De cursussen die vermeld staan op je studievoortgangsoverzicht worden vermeld op het Internationaal Diplomasupplement (IDS), de bijlage die je ontvangt bij je diploma. Cursussen vermeld onder het kopje ‘Resultaten-Overig’ maken geen deel uit van je examenprogramma en staan niet op je IDS.

Als je vragen hebt over je studievoortgangsoverzicht of onjuistheden hierin constateert, neem dan contact op met het Studiepunt Geesteswetenschappen.