Wetenschapscarrousel 2017

Op 22 september 2017 vindt vanaf 12.45u de 5e Wetenschapscarrousel Klinische Gezondheidswetenschappen plaats. Een evenement georganiseerd door de opleiding in samenwerking met de studie- en alumnivereningen.

De Wetenschapscarrousel bestaat ook dit jaar uit een gevarieerd programma bestaande uit o.a. uitreikingen van de Communicatorprijs, Johanna Diepenveen Speekenbrink Prijs, Jeltje de Bosch-Kemper Award, PhySTA award en de 25e Mebius Kramer Lezing door prof. Susan Michie met de titel 'Changing behaviour: Tools for thought and practice'. Daarnaast biedt de Wetenschapscarrousel studenten en net afgestudeerde alumni  Klinische Gezondheidswetenschappen een podium om hun literatuur–  of afstudeeronderzoek te presenteren via een posterpresentatie. Klik hier voor het volledige programma van deze middag.

Lees hieronder meer over de sprekers, bekijk alvast de kansmakers op de Communicatorprijs 2017 en de onderwerpen van de posterpresentaties.
 

Sprekers Wetenschapscaroussel 2017
Prof. dr. Susan Michie en drs. Yvonne van Essen

Drs. Yvonne van Essen (14.15-15.00u - Unnik- zaal Groen)
Yvonne van Essen is werkzaam in de vrije vestiging. Eerst als logopedist, daarna als praktijkmanager van logopediepraktijk Taalreis bij het kindzorgcentrum Educto. In 2015 heeft zij de master logopediewetenschap aan de Universiteit Utrecht behaald. Innovatie in de zorg wordt steeds belangrijker, zodat de zorg ook in de toekomst toegankelijk blijft. Door voorbeelden te laten zien van innovaties binnen en buiten de zorg, probeert Yvonne collega’s te inspireren aan de slag te gaan met innovatie. Daarnaast nemen we een kijkje in het online behandelplatform Skribbel voor kinderen met ernstige enkelvoudige dyslexie dat door Educto is ontwikkeld.

Prof. dr. Susan Michie (16.00-17.00u - Educatorium- zaal Theatron)
Susan Michie is Professor of Health Psychology and Director of the Centre for Behaviour Change at UCL. Her research focuses on developing the science of behaviour change interventions and applying behavioural science to interventions. She works with a wide range of disciplines, practitioners and policy-makers and holds grants from a large number of organisations including the Wellcome Trust, National Institute of Health Research, Economic and Social Research Council and Cancer Research UK.

She studied Experimental Psychology at Oxford University, obtaining a BA in 1976, and a DPhil in Developmental Psychology in 1982. She studied Clinical Psychology at the Institute of Psychiatry, London University, obtaining an MPhil in 1978. She is a chartered clinical and health psychologist, and elected Fellow of the Academy of Social Sciences, the Academy of Medical Sciences, the Academy of Behavioral Medicine Research, the Society of Behavioral Medicine, the European Health Psychology Society, the British Psychological Society and a Distinguished International Affiliate of the American Psychological Association.

Overde lezing: ‘Changing behaviour: Tools for thought and practice’ The lecture will present frameworks for thinking about behaviour change and a method for developing effective interventions. The process starts from a model of behaviour in context (COM-B)and uses the Behaviour Change Wheel framework to guide intervention design and a taxonomy of behaviour change techniques (BCTTv1) to implement it in practice.

 

 

Communicatorprijs 2017
Kansmakers Communicatorprijs 2017

De studenten die presenteren en kans maken op de Communicatorprijs 2017 zijn:

Roselie van Asperen (VW)
Joint crisis plans and inpatient care: a qualitative study

Cocky van Buren (FW)
The Paediatric Haemophilia Activity and Participation List (Ped-HAPL)

Thierry Franke (FW)
Minimally Important Change and Smallest Detectable Change of the Oslo Sports Trauma Research Center Questionnaire in (half) marathon runners

Anne Hoefnagels (VW)
To explore the underlying reason for non-adherence to prophylactic treatment in adolescents with haemophilia

Linda Smithuis (VW)
Zelfbeschadigend gedrag bij mensen met een eetstoornis. De prevalentie, de kenmerken van het gedrag en de emotie regulatie.
 

Overzicht posterpresentaties
FW Ingrid Barelds: Primary and secondary prevention of acute ankle injuries by ankle bracing in athletes: a systematic review and meta-analysis

Title
Primary and secondary prevention of acute ankle injuries by ankle bracing in athletes: a systematic review and meta-analysis

Background
Numerous prevention strategies are available for acute ankle injuries, like ankle bracing, taping, and neuromuscular training. Ankle bracing has shown to be effective for the secondary prevention of ankle injuries. Effects of ankle bracing for the primary prevention of ankle injuries are still unclear. Recent literature reveals new data and an update of the literature is necessary regarding primary and secondary prevention of ankle injuries.

Aim
To systematically review the literature about the effectiveness of ankle bracing on the primary and secondary prevention of acute ankle injuries in athletes.

Methods
Databases Pubmed, Embase, Sportdiscus, CINAHL, and PEDro were searched for eligible articles until March 2017. Randomized controlled trials concerning ankle bracing on athletes were included in this review. Risk of bias was assessed with the Cochrane Risk of Bias tool. Random- and fixed-effect meta-analyses were conducted on primary and secondary prevention of ankle injuries. The GRADE method was used to determine the quality of evidence.

Results
Nine studies were included in this review. Ankle bracing versus no ankle bracing resulted in a risk ratio of 0.53 (95% confidence interval(CI): 0.32;0.90) for the primary prevention of acute ankle injuries (low quality of evidence), and a risk ratio of 0.37 (95%CI: 0.24;0.58) for the secondary prevention of acute ankle injuries (moderate quality of evidence).

Conclusion
Ankle bracing is effective for primary and secondary prevention of acute ankle injuries among athletes. Further research is recommended regarding cost-effectiveness of ankle bracing for the primary prevention of ankle injuries.

Implication of key findings
Athletes with and without history of acute ankle injury should consider ankle braces in the prevention of acute ankle injuries.

FW Yvonne Dockx: Intensive task-specific group training on upper limb capacity in a male with subacute stroke and a favourable prognosis, a case study

Title
Intensive task-specific group training on upper limb capacity in a male with subacute stroke and a favourable prognosis, a case study

Background
Task-specific training for the upper limb after stroke has proven to be effective as part of (modified) Constraint Induced Movement Therapy. This programme is not always applicable, especially for patients with mobility problems. In other existing task-specific programmes little attention is given to the patients’ own functional goals. The effect of intensive task-specific group training with the use of the patients’ own functional goals is unknown.                               

Aims/RQ  
To describe a three-week intensive task-specific group training programme for upper limb capacity in a person with subacute stroke and a favourable prognosis, based on the patients’ own functional goals.                     

Methods  
The patient was a 59-year-old man with a loss of upper limb capacity due to a stroke one week prior to intervention. He received a three-week task-specific group training programme for one hour a day, five times a week. The intervention was based on the patients’ own functional goals.                                   

Results  
Upper limb capacity was measured using the Action Research Arm Test and the score increased with 24 points.                               

Conclusion   
The results suggest that intensive task-specific group training, aimed at the patients’ own functional goals, may be an effective method to enhance upper limb capacity following stroke.                               

Implications of key findings
This programme may be an effective way to enhance upper limb capacity in people in the subacute phase of stroke.

Keywords: Intensive task-specific group training, stroke, upper limb

VW Rianne Doornweerd: Een casestudie naar de invloed van een bed-sideteachingsprogramma op angst en stress bij ouders van een prematuur geboren baby

Titel
Een casestudie naar de invloed van een bed-side-teachingsprogramma op angst en stress bij ouders van een prematuur geboren baby

Inleiding
Een vroeggeboorte heeft een grote impact op ouders wat gepaard gaat met gevoelens van angst en stress. Dit komt voort uit de spanning om de gezondheidssituatie van het kind, de medisch-technische omgeving en de barrières die daardoor ontstaan om de ouderrol te kunnen vervullen. Het reduceren van deze barrières, en het daarmee verlagen van stress en angstgevoelens, is mogelijk door het stimuleren van participatie in de zorg. Alhoewel er programma’s bestaan voor de begeleiding van ouders zijn deze vaak complex in uitvoer.

Doel en onderzoeksvraag
De doelstelling van deze casestudy is het reduceren van gevoelens van angst en stress dooreen bed-sideteachingsprogramma gebaseerd op de uitgangspunten van ontwikkelingsgerichte zorg (OGZ) uitgevoerd door de verpleegkundige .

Methode
Ouders werden 2 dagen begeleid tijdens de verzorgingsmomenten volgens de principes van OGZ. Uitkomstmaat was de mate van stress bij zowel moeder als vader volgens de PSS: NICU ( vertaald) op dag 0 en na de interventie op dag 2.

Resultaten
Geen verschil in reductie van stress bij vader; score op PSS-NICU van 1,2 naar 1,3. Kleine reductie bij moeder; score van 1,7 naar 1,4. Analyse van de scores liet zien dat moeder lager scoorde op de thema’s gedrag & uiterlijk en ouderrol.

Conclusie
De interventie lijkt geen invloed te hebben op reductie van stress bij vader maar geeft een kleine daling bij moeder op de PSS-NICU. Typerend voor deze daling is dat deze daalt op de thema’s gedrag en uiterlijk van de baby en ouderrol wat mogelijk verklaard kan worden door de interventie

Aanbevelingen
De verpleegkundige vervult een sleutelrol in het contact met ouders en kan door begeleiding tijdens verzorgingsmomenten mogelijk invloed hebben op stresslevels bij ouders. Daarin is bewustwording van verschil in coping tussen vaders en moeders van belang.

Trefwoorden: neonatologie, stress, angst, ouders, verpleegkundige begeleiding, ontwikkelingsgerichte zorg

FW Nympha van der Feen: Effectiveness of myofascial trigger point therapy for plantar heel pain: a systematic review of randomized controlled trials

Title
Effectiveness of myofascial trigger point therapy for plantar heel pain: a systematic review of randomized controlled trials.

Background
Pain under the plantar aspect of the heel is a common musculoskeletal condition. A range of terms have been used to describe thisproblem. The term plantar heel pain seems to be the most adequate. Manyinterventions are used to treat plantar heel pain including physiotherapeutic myofascial trigger point therapy. However, a systematic review to investigate the effectiveness of myofascial trigger point therapy for managing plantar heel pain has not been published yet.

Aim
The aim of this review is to determine the evidence for the effects of physiotherapeutic myofascial trigger point therapy in adults with plantar heel pain compared to sham treatments or other treatments on pain, function and recovery.

Method
Potential trials were located by a search in PubMed, Web of Science, CINAHL, The Cochrane Library, Embase and PEDro. Included studies were rated for methodological quality using the Physiotherapy Evidence Database scale. Two reviewers extracted the data. A best evidence synthesis was undertaken to summarise the results.

Results
The initial database search resulted in 273 publications. After screening, five were included. Four were rated as high quality, one as low quality. The studies provided strong evidence for the effectiveness of manual myofascial trigger point release on pain and function. Strong evidence was found for the effectiveness of dry needling on pain and insufficient evidence after follow-up. No evidence was found for the effectiveness of dry needling for functional outcomes. There are indicative findings for the effectiveness of extracorporeal shock wave therapy on myofascial trigger points on pain.

Conclusion and implications of key findings
Manual myofascial trigger point release and dry needling can be recommended for relieving pain in adults with plantar heel pain.

Keywords: ‘plantar heel pain’, ‘myofascial trigger point’, ‘randomized controlled trials’, ‘systematic review’, ‘physical therapy’

FW Marieke Geerars-van der Veen: Treating Genu Recurvatum in patients with stroke, a systematic review

Background  
Genu recurvatum or, knee hyperextension, is common in stroke survivors. It has several causes and is associated with risk of knee injuries, decreased gait efficiency and, reduced cosmetic appearance. Several interventions are available to treat knee hyperextension in patients with stroke. An evidence-based review of the effectiveness of interventions is not yet available.

Aim/research question  
This review aims to research current evidence. The research question is: What is the effect of treatment interventions on knee hyperextension in adult stroke survivors, on grade of hyperextension, gait speed, energy cost and, gait symmetry, as compared to no intervention?

Methods
Trials of interventions on knee hyperextension in stroke survivors were searched in PubMed, the Cochrane Library, EMBASE, PEDro and CINAHL. The methodological quality was assessed with the modified Downs and Black checklist, which is suitable for both randomized and nonrandomized studies. A best evidence synthesis was used to summarize the results.

Results
Two randomized controlled trials (RCT) (pilot studies) and six nonrandomized intervention studies were included. The studies focused on: orthoses, functional electrostimulation (FES) and reducing spasticity. One study was of good quality, six were rated “fair”, one was rated  “poor”. Moderate evidence was found for orthotic treatment on grade of hyperextension and insufficient evidence for effectiveness on gait velocity or gait symmetry.No or only insufficient evidence was found for benefit of reducing spasticity and FES on knee hyperextension.

Conclusions
Orthotic treatment can be beneficial in reducing or preventing knee hyperextension in patients with stroke although it is still unclear which type of orthosis is the best. Future studies are needed to draw more definite conclusions on effectiveness of the various treatments.

Studies implications of key findings
Orthotic treatment should be preferred. This treatment can be used in all causes of knee hyperextension in patients with stroke.

Keywords genu recurvatum, knee recurvatum, knee hyperextension, stroke, hemiparesis.

LW Marije Hofs - van Kats: Zingen, bidden, spreken. Melodisch ritmische therapie bij ernstige subacute globale afasie: een case report

Titel
Zingen, bidden, spreken; Melodisch ritmische therapie bij ernstige subacute globale afasie: een case report

Inleiding
Binnen de afasietherapie wordt al geruime tijd gebruik gemaakt van zingen om de onbeschadigde rechter hemisfeer taken van de beschadigde linker hemisfeer te laten overnemen. Het is echter niet evident dat het effect van deze therapie in het melodische aspect zit, ritme heeft waarschijnlijk een even groot aandeel in de effectiviteit van zingen als therapie interventie. Daarnaast lijkt er binnen de logopedie nog te weinig aandacht voor de behoeften en wensen van patiënten bij de vormgeving van de therapie en wordt de religieuze achtergrond van patiënten nog onvoldoende meegenomen in de therapie

Doel en onderzoeksvraag           
In deze n=1 studie is een aangepaste therapie gegeven bestaande uit zingen, bidden en  onderdelen van de MIT bij een 78-jarige patiënt met een ernstige subacute globale afasie

Methode
De effectiviteit van het aangepaste programma werd gemeten middels het onderdeel taalproductie van de CAT-NL aangezien verbetering van taalproductie door logopedisten gezien wordt als een goede graadmeter van therapie-effect

Resultaten
Testresultaten lieten een significante vooruitgang zien op de onderdelen naspreken en (hardop) lezen en daardoor ook op de gehele taalproductie. Hoewel de mogelijkheden tot het maken van standaarduitingen toegenomen waren, was er geen significante vooruitgang op het onderdeel benoemen. Daarnaast zullen mogelijk de geboekte resultaten op de langere termijn niet blijven bestaan. Het geboden therapie programma is erg specifiek gericht op de behoeften van één specifieke patiënt en wellicht moeilijk toepasbaar bij andere patiënten

Conclusie
De geboden therapie lijkt effectief bij ernstige globale afasie

Aanbevelingen
Verder onderzoek is nodig om te bepalen hoe melodisch-ritmische therapie toegepast kan worden bij patiënten met een ernstige subacute globale afasie.

Trefwoorden: afasie, melodie, ritme

VW Tjitske Holtrop: Knowledge, attitude and practice (KAP) levels of work related zoonotic disease in slaughterhouse workers: a systematic review

Background
An estimated 75% of emerging diseases affecting humans in recent history have been zoonotic of nature. Zoonoses, diseases caused by infectious microorganisms, originate from animals or their byproducts. Working in a slaughterhouse is considered a high risk occupation. High human-livestock contact put slaughterhouse workers at risk for work related zoonotic disease. Main risk factors include spatial exposure, temporal exposure and skin injuries. A systematic review exploring knowledge, attitude and practices of slaughterhouse workers is lacking.

Aims
To describe knowledge, attitude and practice (KAP) levels of slaughterhouse workers regarding work related zoonotic disease.

Methods
A systematic review of the literature, according to the PRISMA Statement, was conducted in Februari 2017 in PubMed, EMBASE and Web of Science. Studies assessed and included: 1) adult workers in government regulated slaughterhouse, 2) measuring KAP levels work related zoonoses, 3) full-text English, 4) quantitative design. Methodological quality was appraised using the Joanna Briggs Institute Prevalence Critical Appraisal Checklist. A narrative best evidence synthesis was conducted according to Proper.

Results
Seven studies were included. Of these, two were methodologically moderate and five were methodologically weak. The studies were conducted in low socio-economic regions, with low educated male workers. Insufficient evidence was found for having heard of zoonoses. Moderate evidence was found for knowledge concerning transmission modes and clinical symptoms. Insufficient evidence was found regarding workers' attitude. Moderate evidence was found for personal protective equipment, insufficient evidence was found for personal hygiene and food hygiene practices.

Conclusions
Slaughterhouse workers in low income countries have insufficient knowledge of work related zoonotic disease and apply inadequate prevention practices.

Implications of key findings
Inadequate prevention practices form a health risk for slaughterhouse workers. More research is needed on the facilitators and barriers of behavior in slaughterhouse workers.

Keywords: slaughterhouse worker, zoonoses, knowledge, attitude, practices

 

VW Wil Kooijman: Continue glucosebepaling, een onderzoek naar de werking van de FreeStyle Libre bij een hemodialysepatiënt met diabetes mellitus type 2

Achtergrond
Diabetes mellitus is een wereldwijd toenemend gezondheidsprobleem. Zelf monitoren van de bloedglucosewaarden is voor patiënten een belangrijk middel om grip te houden op hun gezondheid. DM veroorzaakt 20% van de gevallen van chronische nierinsufficiëntie en kan ook leiden tot retinopathie en neuropathie. Neuropathie bemoeilijkt het kunnen meten van de glucosewaarde.

Doel
In kaart brengen of continue glucosebepaling door de FreeStyle Libre een oplossing biedt voor een patiënt met chronische nierinsufficiëntie en ernstige neuropathie.

Beschrijving casus
De patiënt is een 65-jarige Nederlandse man met als primaire diagnose diabetes mellitus type 2. Dit is 18 jaar geleden vastgesteld. Comorbiditeit: chronische nierinsufficiëntie, diabetische neuropathie, diastolische cardiomyopathie en obesitas. De patiënt ondergaat hemodialyse en is als gevolg van de neuropathie niet meer in staat zelf een bloedglucosemeter te hanteren. Onzekerheid over de glucosewaarden veroorzaakt angst.

Methode
Als interventie werd door de diabetesverpleegkundige een sensor van de FreeStyle Libre aangebracht. De uitkomsten van deze metingen werden vergeleken met bepalingen door het laboratorium en van de Verio IQ. Met de numerieke rating scale werd de angst gemeten. De ervaringen van de patiënt zijn beschreven.

Uitkomsten
De FreeStyle Libre maakte doorlopende controle van de glucosewaarden mogelijk en gaf inzicht in het verloop over 24 uur. Dat reduceerde de angst. De metingen vertoonden een gemiddelde afwijking van de gouden standaard ter grootte van -10,8%. Volgens de literatuur is dat een acceptabele afwijking voor een glucosemeter. De gemiddelde glucosewaarde daalde als gevolg van aanpassing van het eetpatroon door de patiënt.

Conclusie
De FreeStyle Libre is voor deze patiënt een geschikt instrument voor glucosebepaling. Voorzichtigheid blijft echter geboden bij gebruik van de Freestyle Libre.

LW Marise Neijman: Combinatietherapie bij Afasie en Spraakapraxie, casestudy

Titel
Combinatietherapie bij Afasie en Spraakapraxie

Doel
Het doel van deze studie was het onderzoeken van het effect van een combinatietherapie (het TIAS en de BOX) bij een afasiepatiënt met een spraakapraxie op de ernst van de afasie en de spraakapraxie op stoornisniveau, op participatieniveau en op de kwaliteit van leven.

Methode
Voor deze prospectieve N=1 effectiviteitsstudie is SJ, een 69-jarige Nederlandse man met een ernstig gemengde afasie en spraakapraxie na een iCVA ACM Links geïncludeerd. SJ werd voorafgaand aan dit onderzoek getest op stoornisniveau (afasie en spraakapraxie), participatieniveau en kwaliteit van leven. Vervolgens werd SJ zes weken, drie keer per week gedurende één uur behandeld met het BOX en de TIAS. Na zes weken zijn bij SJ alle testen opnieuw afgenomen ter evaluatie.

Resultaten
Er is tijdens het hertesten significante vooruitgang gemeten op de ScreeLing en de SAT. Op de TIAS werd geen significante vooruitgang gevonden. De communicatiescore van de SAQOL-39NL is van een percentiel tussen 25-50 verbeterd naar een percentiel boven de 90. Er is geen significant verschil gevonden op participatieniveau op de Scenariotest.

Discussie
Ondanks dat er op de DIAS en de Scenariotest geen significant verschil is gevonden, liet SJ toch vooruitgang zien tijdens de therapie. Deze vooruitgangen waren echter subtiel en niet zichtbaar tijdens de hertest. Mogelijk had SJ meer vooruitgang kunnen maken, wanneer hij vaker was behandeld. Door te kiezen voor een combinatiebehandeling is er voldaan aan het zoeken naar een passende therapie voor de hulpvraag van SJ.

Conclusie
De ernst van de stoornis in het semantisch systeem is mogelijk verminderd door de behandeling met de BOX. De ernst van de stoornis in de spraakapraxie is gelijk gebleven, ondanks de therapie met het TIAS. De combinatietherapie lijkt mogelijk een positieve invloed te hebben gehad op de kwaliteit van leven.

Aanbevelingen
Er is meer onderzoek naar het effect van het TIAS op de ernst van de spraakapraxie is gewenst.

Keywords: Afasie, Spraakapraxie, Combinatietherapie, BOX, TIAS, Kwaliteit van Leven, Participatieniveau, Ernst

VW Elsemiek Nieuwenhuis: Zelfmanagement bij hartfalen, casestudy

Inleiding
Hartfalen is een chronische hartziekte met een hoge prevalentie in Nederland. De belangrijkste klachten die patiënten hebben met hartfalen zijn kortademigheid, perifeer oedeem en niet goed kunnen platliggen.

Doel en onderzoeksvraag
Om de patiënt in staat te stellen om zelfmanagement toe te passen op de leefregels bij hartfalen en zo de regie te nemen over haar eigen ziekte, gezondheid en behandeling is deze casestudy opgesteld met als centrale vraag: Wat is het effect van het toepassen van zelfmanagement op de therapietrouw van een patiënt met hartfalen?

Beschrijving case
De patiënte is een 54-jarige vrouw, welke opgenomen is met diagnose hartinfarct en door een gecompliceerd verloop hartfalen heeft ontwikkeld. Bij aanvang van de case study ligt de patiënte 2,5 maand in het ziekenhuis.

Methode
Om te kijken of de patiënte geschikt was om mee te doen met de case study is gebruik gemaakt van de Heart Failure Specific Health Literacy Scale. Verder zijn er twee metingen gedaan met de European Heart Failure Self-care Behaviour Scale. Dit is gedaan bij aanvang van de casestudy, 5 dagen voor ontslag, en de dag voor ontslag. Na de eerste meting zijn de interventies ingezet. Dit wil zeggen dat de patiënte vanaf dat moment zichzelf dagelijks ging wegen op de weegschaal op haar kamer en zelf haar intake bij ging houden gedurende deze dagen.

Resultaten
Er is een lichte verbetering te zien in de therapietrouw van de patiënte als het gaat om de leefregels bij hartfalen. Tijdens een interview gaf de patiënte aan het erg prettig te vinden om zelf weer de controle terug te krijgen. Ze zou het zeker aanraden om dit toe te passen bij andere patiënten.

Discussie
Binnen deze patiëntencategorie is er op dit moment veel onderzoek en innovatie gaande. Deze ontwikkelingen dienen in vervolgonderzoek wel meegenomen te worden.

Conclusie
In deze casestudy is het toepassen van zelfmanagement op de leefregels bij hartfalen van positieve invloed geweest op de therapietrouwheid van de patiënt.

Aanbevelingen
Verder onderzoek is aan te bevelen in de vorm van een randomised controlled trial, waarna het geïmplementeerd zou kunnen worden binnen cardiologieafdelingen van ziekenhuizen.

Trefwoorden: Zelfmanagement, hartfalen, therapietrouw

LW Irene Spaans: Het effect van een oudergerichte- en interactieve taalinterventie op de taalontwikkeling bij een peuter met een taalachterstand en het Baraitser Winter cerebrofrontofaciaal syndroom, casestudy

Titel
Het effect van een oudergericht- en interactief taalinterventieprogramma op de taalontwikkeling van een peuter met het Baraitser-Winter cerebrofrontofaciaal syndroom.Een casestudy.

Achtergrond/doel
Taalproblemen op jonge leeftijd kunnen onder andere leiden tot een blijvende taalachterstand of problemen in het onderwijs. Bij een deel van de kinderen met een taalachterstand is sprake van complexe problematiek. Een interventie die effectief is bij peuters met een taalachterstand en vaak wordt toegepast, is de oudergerichte- en interactieve taalinterventie. Dit model gaat uit van het idee dat het optimaliseren van taalinput van ouders leidt tot een toename in mogelijkheden van kinderen met een taalachterstand om taal te leren. Het effect van de interventie op kinderen met een complexe aandoening is nog onderbelicht. Deze studie onderzoekt het effect van de oudergerichte- en interactieve taalinterventie op de taalontwikkeling van een peuter met een complexe aandoening.

Casus
Voor deze studie werd een meisje van 2;6 jaar met een achterstand in de taalontwikkeling en het Baraitser-Winter cerebrofrontofaciaal syndroom geselecteerd.

Methode
De ouders werden getraind in de strategieën en technieken van een interactief interventieprogramma gedurende wekelijkse individuele behandelsessies en enkele groepssessies.

Resultaten
Er was een significantie vooruitgang op het taalbegrip en een lichte vooruitgang op de zinsontwikkeling.

Discussie en conclusie
Uit deze studie blijkt dat het oudergerichte- en interactieve model een positief effect kan hebben op de taalvaardigheden van een peuter met een complexe aandoening. Verder onderzoek bij een grotere groep en naar het effect op langere termijn is noodzakelijk.

Keywords: oudertraining, Hanen Ouderprogramma, indirecte therapie, interactieve taalinterventie, Baraitser Winter cerebrofrontofaciaalsyndroom, taalontwikkeling, complexe stoornis

VW Roselie van Asperen: Joint crisis plans and inpatient care: a qualitative study

Titel
Klinische praktijk van signaleringsplannen: een kwalitatieve studie

Inleiding en achtergrond
Patiënten met een ernstige psychiatrische aandoening (EPA) zijn kwetsbaar voor terugval en heropname. Een signaleringsplan is een klinisch relevant hulpmiddel dat een gedwongen heropname kan voorkomen, maar deze complexe interventie ondervindt problemen bij de implementatie en de borging. Het effect van het signaleringsplan is onderzocht in robuuste kwantitatieve studies, maar het proces van het maken is nauwelijks onderzocht.

Doel en onderzoeksvraag
Inzicht krijgen in de bevorderende en belemmerende factoren ten aanzien van het maken van een signaleringsplan met een EPA patiënt.

Methode
Een generiek kwalitatieve studie met semi-gestructureerde interviews. Twaalf hulpverleners zijn geselecteerd op basis van ervaring met het maken van een signaleringsplan met EPA patiënten op een afdeling van een psychiatrisch ziekenhuis in Nederland, in 2017. De resultaten uit de interviews zijn opgenomen, getranscribeerd en geanalyseerd volgens de thematische analyse.

Resultaten
Drie thema’s zijn geïdentificeerd als beïnvloedende factoren: de validatie van het signaleringsplan, de betrokkenheid van de patiënt en de patiëntgerichte ondersteuning. De validatie van het signaleringsplan is gekoppeld aan shared decision-making in de triade patiënt, hulpverlener en mantelzorger. De betrokkenheid van de patiënt hangt af van zijn niveau van motivatie, zijn psychiatrisch ziektebeeld en de samenhangende capaciteiten. De patiëntgerichte ondersteuning hangt af van de capaciteiten van de hulpverlener en de samenwerking tussen de hulpverleners. De resultaten waren beschikbaar voor peer-review en een member-check door de respondenten.

Conclusie
Deze studie identificeerde drie thema’s die zowel een bevorderende als een belemmerende factor kunnen zijn. De combinatie van het niveau van betrokkenheid van de patiënt en de patiëntgerichte ondersteuning beïnvloeden de validatie van het signaleringsplan: het belangrijkste concept om het proces te laten slagen.

Aanbevelingen
Vervolgonderzoek zou zich moeten richten op de klinische praktijk van signaleringsplannen in de ambulante zorg.

Trefwoorden: signaleringsplan, ernstig psychiatrische aandoening, kwalitatief onderzoek, thematische analyse

LW Ingrid Wissenburg: Het effect van Story Grammar Training op de kwaliteit van informatieoverdracht bij het (na) vertellen van een verhaal

Achtergrond
Kinderen met specifieke taalontwikkelingsstoornissen zijn beperkt in hun verbale communicatie. Dit uit zich ook in de kwaliteit van vertellen. Verhalen bestaan uit een macro- en microstructuurniveau. De verhalen van deze kinderen kennen vaak beperkingen op beide niveaus. Vertellen wordt gezien als een sleutelcomponent binnen communicatie en als voorspeller voor sociaal- en schoolsucces, toch is er slechts beperkte evidentie voor interventies gericht op vertellen.

Doel
Deze studie beoordeelde het effect van Story Grammar Training op de kwaliteit van informatieoverdracht bij het (na)vertellen van verhalen. Tevens werd beoordeeld hoe de interventie de beleving van het (na)vertellen beïnvloedde.                                                          

Methode en procedure
Deze n=1 effectiviteitsstudie met pre-test en posttest design, includeerde een  jongen van 8.5 jaar met een specifieke taalontwikkelingsstoornis. De busverhaal test kwantificeerde de kwaliteit van informatieoverdracht. De uitkomstmaten waren, het percentage verhaalelementen en de informatiescore (macrostructuurniveau), ML5LU, het aantal onderschikkingen en het aantal t-units  (microstructuurniveau). Een VAS-schaal bracht de beleving van vertellen in kaart. De interventie, Story Grammar Training, stimuleerde het verwoorden van de verhaallijn. De methode werd gefaseerd uitgevoerd, gestandaardiseerde vragen en prompts werden toegevoegd en het vertellen van persoonlijke ervaringen kreeg een nadrukkelijke rol.                                                                             

Resultaten 
Op macrostructuurniveau werd een hogere score op het aantal gerealiseerde verhaalelementen gemeten en een minimale verhoging van de informatiescore. Het inzicht in de verhaalstructuur groeide. Op microstructuurniveau nam ML5LU toe. De overige scores bleven gelijk. Het ontbreken van referentiewaarden maakte interpretatie moeilijk. Er werden spontaan meer ervaringen gedeeld, dit effect leek gerelateerd aan het trainen van persoonlijke verhalen en gaf succes op participatieniveau.                                                                                                                 

Conclusie
Onderzoek  naar  referentiematen is nodig. De resultaten vormen echter een voorzichtige indicatie dat Story Grammar Training effect heeft op de kwaliteit van vertellen van kinderen met een specifieke taalontwikkelingsstoornis. Het lijkt zinvol om de interventie in de klinische praktijk te gebruiken, als vertellen het doel van de taaltherapie is.

Trefwoorden: S-tos, kwaliteit van verhalen vertellen en story grammar training

FW Cocky van Buren: The Paediatric Haemophilia Activity and Participation List (Ped-HAPL). Development of a participation sub-score for a questionnaire for children and youth with haemophilia, first phase

Background
Haemophilia, is characterised by intra-articular and intramuscular bleeds and has an impact on body functions, activities of daily living and social participation. The guideline for treatment of persons with haemophilia (2012) recommends the Paediatric Haemophilia Activity List (Ped-HAL) for monitoring activity level. Participation items were underrepresented in the Ped-HAL and it was recommended to develop two separate domains for activity and participation.

Aim
The aim of this study was to construct a sub-score, consisting of participation items, for the Paediatric Haemophilia Activity and Participation List (Ped-HAPL), based on input from patients, parents and health professionals.

Methods
The participation items for the participation sub-score were developed in a mixed methods study, using a computer assisted survey for patients, parents (national) and health professionals (international). Potential participation items were selected from the Ped-HAL and Participation and Environment Measure for Children and Youth (PEM-CY). The survey consisted of 1] potential participation items, 2] a quantitative score on a five point Likert scale and 3] qualitative open comments, and suggestions. The survey was classified on the nine activity and participation domains of the International Classification of Function in Children and Youth (ICF-CY). Quantitative scores on the potential participation items were ranked on relevance. The qualitative analysis was done according to the ICF-CY classification.

Results
Eleven patients and 14 international professionals participated in this study. Seven Ped-HAL items were retrieved and two were adapted. One PEM-CY item was adapted and 11 were removed. Nineteen items of the Ped-HAL and the PEM-CY were merged into seven items. Finally, 17 concept participation items were proposed for the Ped-HAPL participation sub-score, by four researchers.

Conclusion
Seventeen concept items were developed for a participation sub-score of the Ped-HAPL. A second (international) research phase is needed to further development of design of the questionnaire and items.

Clinical Relevance
The Ped-HAPL will be the first disease specific self-reported outcome measure to monitor, separately activity and participation in children and youth with haemophilia. This is relevant for the daily care of the individual patient and for clinical trials.

Key words activities, children, haemophilia, ICF-CY, participation, Ped-HAL, Ped-HAPL, youth

FW Thierry Franke: Minimally Important Change and Smallest Detectable Change of the Oslo Sports Trauma Research Center Questionnaire in (Half) Marathon Runners

Doelstelling
Het bepalen van de minimaal klinische relevante verandering (engels; minimally important change, MIC) en het minimaal detecteerbare verschil (engels; smallest detectable change, SDC) van de Oslo Sports Trauma Research Center vragenlijst (OSTRC) score bij geblesseerde (halve) marathonlopers.

Methode
Data van een prospectief cohort studie genaamd de SUMMUM-2017 studie werd gebruikt. Gegevens van 133 lopers die tweemaal achter elkaar dezelfde blessure rapporteerden en de global rating of limitations (GRL) en global rating of change (GRC) anker vragen invulden zijn gebruikt. De ankers werden gebruikt om lopers te classificeren als werkelijk verbeterd, onveranderd, werkelijk verslechterd. De SDC werd berekend op groeps en individueel niveau met lopers die onveranderd waren volgens het GRL anker. De MIC werd bepaald middels de visual anchor-based MIC distribution en mean change method voor zowel blessures die werkelijk verbeteren als verslechteren met behulp van beide ankers.

Resultaten
SDC waardes op groeps en individueel niveau waren ≤0.27 and ≤5.91 respectievelijk. De MIC-waardes voor lopers die werkelijk verbeterden volgens de GRC en GRL ankers waren 13.50 en 18.50 punten respectievelijk (visual anchor-based MIC distribution method). Met behulp van de mean change method waren de MIC-waardes voor lopers die werkelijk verbeterden volgens het GRC en GRL anker 15.49 (95% betrouwbaarheidsinterval [Bhi] 7.48-23.49) and 45.38 (95% Bhi 27.45-63.30) respectievelijk. Voor lopers die werkelijk verslechterden kon alleen een MIC-waarde worden berekend met behulp van de mean change method met het GRL anker 27.71 (95% Bhi -64.98-9.55).

Conclusie
De OSTRC-score heeft een adequate responsiviteit en interpreteerbaarheid en kan gebruikt worden om geblesseerde lopers met een werkelijk verbeterde blessure te onderscheiden van lopers met een onveranderde blessures in een periode van twee weken. Voor gebruik in individuele lopers wordt voorgesteld om een MIC-waarde van 18.50 te gebruiken. Om deze MIC-waarde te overschrijven moeten de antwoorden op een of meerdere OSTRC vragen met minimaal drie opties verbeteren.

Klinische relevantie
Een MIC-waarde van 18.50 wordt voorgesteld om te bepalen of blessures van individuele lopers werkelijk relevant of niet veranderen. De MIC-waarde kan gebruikt worden bij het monitoren van geblesseerde lopers. Verder kunnen de MIC-waardes gebruikt worden voor steekproefomvang berekeningen.

VW Anne Hoefnagels: To explore the underlying reason for non-adherence to prophylactic treatment in adolescents with haemophilia

Introduction
Adolescents with severe haemophilia using prophylaxis. Adherence to prophylactic treatment is lower in adolescents than in children and adults. High adherence levels are needed to prevent patients from bleeds. Little is known about underlying reason for non-adherence to prophylaxis in adolescents with haemophilia. To increase adherence in adolescents, it is important to understand motivators, facilitators and barriers.

Aim
The aim of this study was to clarify the underlying reason for non-adherence to prophylaxis in haemophilia, from an adolescent perspective.                       

Methods 
A qualitative study was executed, using a thematic analysis. Three focus group interviews and nine individual interviews were conducted in Dutch adolescents (14-25 years) with haemophilia using prophylactic treatment. Patients were interviewed about the impact of haemophilia on their lifes and about adherence to their treatment. Interviews were transcribed, coded and analysed in an iterative process, leading towards the development of themes.

Results 
During the interviews, it became clear that adolescents at different ages thought different about their (adherence to) prophylaxis.

In the first phase, adolescents  (fully) rely on others (parents/ physicians) concerning their prophylaxis. Parents instructed them to take their prophylaxis, at which days, or even prepared and administered the prophylaxis. These ‘young’ adolescents mentioned that they didn’t think about their prophylaxis. Due to a great parental role, the majority of patients in had a high adherence. In the second phase, when adolescents were becoming a bit older, it was observed that adherence behaviour was based on balancing between their perception of ‘feeling safe’ and ‘being normal’. Adolescents wanted to be just like their peers (‘being normal’), e.g. during partying, sport activities or drinking alcohol. Yet, all respondents mentioned that, most of the times they also wanted to feel safe concerning their haemophilia. Most respondents learned gradually from their experience with prophylaxis, they learned what their personal boundary was. This resulted in a variety of adherence levels within adolescents, because some respondents noticed that they could permit themselves to be less adherent. In the third phase, when the adolescents were becoming young adults, they developed a personal ‘standard’ concerning prophylaxis. They acquired a personal regimen what works for them; e.g. ‘I don’t have that many bleeds, a can permit myself to skip approximately 3 times per month’.

Conclusion 
A balance between feeling save and being normal based on previous experiences creates a perception of risk determining their adherences levels.

Implications of key findings
For clinicians, it is important to be aware of the balance between these components. An accessible and non-judgmental discussed with patients about this topic is recommended. Furthermore, peer contact can be advised.

Keywords: Adolescence, chronic disease, haemophilia, patient compliance, prophylaxis, qualitative study

VW Linda Smithuis: Zelfbeschadigend gedrag bij mensen met een eetstoornis. De prevalentie, de kenmerken van het gedrag en de emotie regulatie

Background
Patients with an eating disorder report difficulties with emotion regulation. Several studies states that eating disorder symptoms or self-injurious behaviour contributes to the regulation of emotions, and thus can be regarded as a coping mechanism. Previous research shows that the prevalence of self-injurious behaviour in patients with an eating disorder is high.

Aim
The objective of this study is to identify the prevalence, the characteristics and the emotion regulation function of self-injurious behaviour in patients with an eating disorder.

Method
This study is based on a cross-sectional design by using a self-report questionnaire. Only patients with anorexia nervosa or an eating disorder not otherwise specified are included(n=136).

Results
The prevalence of self-injurious behaviour is 41% (n=56) during the past month. This group had a statistically significant longer eating disorder treatment history compared to patients who did not perform self-injurious behaviour. Fifty-five percent had a secondary diagnosis compared with 21% of participants without self-injurious behaviour. This is found to be a significant difference. Pretests-posttests showed a significant increase at “feeling relieved” and reduction in the emotions “feeling angry at myself”, “feeling anxious” and “feeling angry at others”. Participants were regularly aware of how the SIB act came about.

Conclusions and implications
Due to the results, it may indicate that participants with selfinjurious behaviour had a higher severity in pathology. Participants could experience benefits of SIB, by the reduction of negative emotions and increase relief. Insight in how a SIB act can come about is necessary for behavioural change.

Recommendations
Future research is needed to compare the emotion regulation capabilities between eating disorder patients with and without self-injurious behaviour, the factors that contributes to a longer treatment for an eating disorder and the efficacy of therapeutic interventions.

MeSH terms: Feeding and eating disorders, Anorexia Nervosa, Self-injurious behaviour, Self-harm.