In Nederland is arts een beschermde titel, die je pas kunt verkrijgen na het succesvol afronden van de universitaire opleiding Geneeskunde en het afleggen van het artsexamen. Binnen het curriculum van de opleiding Geneeskunde ontwikkel je verschillende academische, medische en algemene vaardigheden die vereist zijn voor de uitoefening van het beroep als arts. Denk hierbij aan:

  • Het doen van wetenschappelijk onderzoek;
  • Het schrijven en presenteren van verslagen;
  • Het opstellen van een PICO of CAT;
  • Het voeren van een anamnestisch gesprek;
  • Het doen van een klinisch onderzoek;
  • Diverse medisch technische vaardigheden;
  • Communicatie met patiënten en zorgprofessionals.

Afhankelijk van de gekozen keuzestages, ASAS en BSAS leer je wellicht nog extra vaardigheden die niet in dit rijtje staan. Uiteraard leer je tijdens je studie en alles wat je daarnaast doet ook zogenaamde soft skills. Vaardigheden als: presenteren, (wetenschappelijk) schrijven, samenwerken, zelfstandig werken, sociale vaardigheden, communicatieve vaardigheden, ict-vaardigheden. Voor een goed beeld van jouw competenties en vaardigheden kun je je eigen portfolio natuurlijk ook raadplegen.

Een veelgebruikt model binnen de geneeskunde is de CanMEDS. Dit model is afkomstig uit Canada en omvat 7 competentiegebieden met daaronder 28 kerncompetenties. In het Raamplan Artsopleiding 2009 zijn de competentiegebieden vertaald naar 7 rollen met daarbij behorende competenties. Als student werk je ernaar toe om bij je afstuderen als arts al deze competenties te bezitten. Het kan geen kwaad eens voor jezelf op een rijtje te zetten welke van deze competenties je al bezit. Hieronder zie je de rollen inclusief een beschrijving van alle competenties.

Medisch deskundige

De afgestudeerde arts heeft de bekwaamheid:

  • Medische kennis toe te passen in de praktijk;
  • Diagnostisch, therapeutisch, prognostisch en preventief arsenaal doeltreffend en ethisch verantwoord toe te passen;
  • Relevante informatie voor diagnose, therapie, prognose en preventie op te zoeken en te integreren in de klinische praktijk;
  • Met andere zorgverleners doeltreffend te communiceren over zorg voor de toevertrouwde patiënten;
  • Medische deskundigheid te tonen in situaties die niet te maken hebben met directe patiëntenzorg;
  • Te reflecteren op het eigen medisch handelen en op de invloed van eigen attitude, normen en waarden op dat medisch handelen.

Communicator

De afgestudeerde arts heeft de bekwaamheid:

  • Met patiënten een therapeutische relatie o.b.v. wederzijds begrip, empathie en vertrouwen aan te gaan en te onderhouden;
  • Informatie over het patiëntprobleem te verzamelen en te integreren;
  • Relevante informatie met de patiënt, familie en derden te bespreken om zo optimale zorg te kunnen leveren;
  • De patiënt en de bij de patiënt betrokkenen te begeleiden;
  • Adequaat om te gaan met diverse patiëntengroepen.

Samenwerker

De afgestudeerde arts heeft de bekwaamheid:

  • In samenspraak met de patiënt op doeltreffende wijze tot samenwerking te komen met andere zorgverleners;
  • Een doeltreffende bijdrage te leveren aan interdisciplinaire teams op het gebied van patiëntenzorg, onderwijs en onderzoek;
  • Perspectief en bijdrage van andere professies te gebruiken om te komen tot besluitvorming.

Organisator

De afgestudeerde arts heeft de bekwaamheid:

  • Doelgericht en doeltreffend gebruik te maken van informatietechnologie;
  • De eigen werkzaamheden adequaat te organiseren;
  • Goed geïnformeerd te zijn over het Nederlandse gezondheidszorgsysteem en deze kennis doeltreffend en efficiënt voor de eigen functie te benutten;
  • Uitgangspunten van kwaliteitszorg (bewaking,bevordering, borging) in de praktijk toe te passen.

Gezondheidsbevorderaar

De afgestudeerde arts heeft de bekwaamheid:

  • Kennis over de determinanten van gezondheid en ziekte toe te passen in de praktijk;
  • Mee te werken aan maatregelen die de gezondheid van individuen en groepen bevorderen;
  • Risicovolle determinanten van gezondheid op het niveau van het individu, groepen en de maatschappij te herkennen;
  • Adequaat te reageren op risicovolle determinanten van gezondheid op het niveau van het individu, groepen en de maatschappij.

Academicus

De afgestudeerde arts heeft de bekwaamheid:

  • Een beperkt empirisch wetenschappelijk onderzoek op te zetten en uit te voeren;
  • Onderwijs voor patiënten, studenten en zorgverleners te verzorgen;
  • Principes van kritisch denken toe te passen op bronnen van medische informatie;
  • Bij beslissingen in de klinische praktijk waar mogelijk het beschikbare wetenschappelijke bewijs te betrekken;
  • Een persoonlijke leerstrategie te ontwikkelen, implementeren en documenteren;
  • Te reflecteren op sterke en zwakke kanten in het eigen functioneren en daardoor sturing te geven aan het eigen leerproces en verantwoordelijkheid te nemen voor de eigen professionele groei.

Beroepsbeoefenaar

De afgestudeerde arts heeft de bekwaamheid:

  • Op een eerlijke, betrokken wijze hooggekwalificeerde zorg te leveren, met aandacht voor integriteit van de patiënt;
  • Professioneel gedrag in gezondheidszorg, wetenschappelijk onderzoek en onderwijs te demonstreren;
  • Op een ethisch verantwoorde manier geneeskunde te beoefenen en de medische, juridische en professionele verplichtingen van het lidmaatschap van een zelfregulerende groep te respecteren;
  • Te reflecteren op het eigen handelen in de medische praktijk, in relatie tot eigen gevoelens en cognities.