In Nederland is arts een beschermde titel, die je pas kunt verkrijgen na het succesvol afronden van de universitaire opleiding Geneeskunde en het afleggen van het artsexamen. Binnen het curriculum van de opleiding Geneeskunde ontwikkel je verschillende academische en medische vaardigheden die vereist zijn voor de uitoefening van het beroep als arts. Denk hierbij aan:

  • Het doen van wetenschappelijk onderzoek.
  • Het schrijven en presenteren van verslagen.
  • Het opstellen van een PICO of CAT.
  • Het voeren van een anamnestisch gesprek.
  • Het doen van een klinisch onderzoek.
  • Diverse medisch technische vaardigheden.
  • Communicatie met patiënten en zorgprofessionals.

Afhankelijk van de gekozen keuzestages, ASAS en BSAS leer je wellicht nog extra vaardigheden die niet in dit rijtje staan. Uiteraard leer je tijdens je studie en alles wat je daarnaast doet ook zogenaamde soft skills. Vaardigheden als: presenteren, (wetenschappelijk) schrijven, samenwerken, zelfstandig werken, sociale vaardigheden, communicatieve vaardigheden, ict-vaardigheden. Voor een goed beeld van jouw competenties en vaardigheden kun je je eigen portfolio natuurlijk ook raadplegen.

Een veelgebruikt model binnen de geneeskunde is de CANMEDS. Dit model is afkomstig uit Canada en omvat zeven competentiegebieden met daaronder 28 kerncompetenties. Als student of pas afgestudeerde arts hoef je natuurlijk nog niet alle competenties te bezitten. Het kan geen kwaad eens voor jezelf op een rijtje te zetten welke van deze competenties je al bezit. Hieronder zie je het model inclusief een beschrijving van alle competenties.

Medisch handelen
De specialist:
1.1. bezit adequate kennis en vaardigheid naar de stand van het vakgebied
1.2. past het diagnostisch, therapeutisch en preventief arsenaal van het vakgebied goed toe en waar mogelijk evidence based
1.3. levert effectieve en ethisch verantwoorde patiëntenzorg
1.4. vindt snel de vereiste informatie en past deze goed toe

Communicatie
De specialist:
2.1. bouwt effectieve behandelrelaties met patiënten op
2.2. luistert goed en verkrijgt doelmatig relevante patiëntinformatie
2.3. bespreekt medische informatie goed met patiënten en familie
2.4. doet adequaat mondeling en schriftelijk verslag over patiëntencasus

Samenwerking
De specialist:
3.1. overlegt doelmatig met collegae en andere zorgverleners
3.2. verwijst adequaat
3.3. levert effectief intercollegiaal consult
3.4. draagt bij aan effectieve interdisciplinaire samenwerking en ketenzorg

Kennis en wetenschap
De specialist:
4.1. beschouwt medische informatie kritisch
4.2. bevordert de verbreding van en ontwikkelt de wetenschappelijke vakkennis
4.3. ontwikkelt en onderhoudt een persoonlijk bij- en nascholingsplan
4.4. bevordert de deskundigheid van studenten, agio’s, collegae, patiënten en andere betrokkenen bij de gezondheidszorg

Maatschappelijk handelen
De specialist:
5.1. kent en herkent de determinanten van ziekte
5.2. bevordert de gezondheid van patiënten en de gemeenschap als geheel
5.3. handelt volgens de relevante wettelijke regelgeving
5.4. treedt adequaat op bij incidenten in de zorg

Organisatie
De specialist:
6.1. organiseert het werk naar een balans in patiëntenzorg en persoonlijke ontwikkeling
6.2. werkt effectief en doelmatig binnen een gezondheidszorgorganisatie
6.3. besteedt de beschikbare middelen voor de patiëntenzorg verantwoord
6.4. gebruikt informatietechnologie voor optimale patiëntenzorg en voor bij- en nascholing

Professionaliteit
De specialist:
7.1. levert hoogstaande patiëntenzorg op integere, oprechte en betrokken wijze
7.2. vertoont adequaat persoonlijk en interpersoonlijk professioneel gedrag
7.3. kent de grenzen van de eigen competentie en handelt daar binnen
7.4. oefent de geneeskunde uit naar de gebruikelijke ethische normen van het beroep.