Het doel van de opleiding is dat de afgestudeerden in staat zijn in de volle omvang van de dagelijkse praktijk te functioneren als leerkracht (met kinderen in de klas, met collega’s in de school, met ouders in de wijk enz.) en daarbij een wetenschappelijk verantwoorde bijdrage te leveren aan de ontwikkeling en verbetering van het primair onderwijs.

De bacheloropleiding stelt zich ten doel academici op te leiden die op basis van wetenschappelijke kennis systematisch, kritisch en gefundeerd kunnen reflecteren op het eigen professionele handelen en ethische en normatieve vragen daarbij betrekken.

De afgestudeerden vervullen een voortrekkersrol bij de schoolontwikkeling door de in de opleiding verworven kennis en vaardigheden te delen met collega-leerkrachten en in te zetten voor de verbetering van het onderwijs, onder meer door het entameren en uitvoeren van onderzoek in de school, het initiëren en evalueren van innovaties en het coachen van collega’s.

Uitgangspunten

De Academische Lerarenopleiding Primair Onderwijs is gebaseerd op drie uitgangspunten:

Goed onderwijs staat of valt met de leraar. Dit oude principe blijft van kracht, maar het takenpakket van leraren wordt steeds veelzijdiger.

Waar voorheen leraren voornamelijk klassikaal moesten kunnen lesgeven, worden tegenwoordig in toenemende mate ook andere vaardigheden van hen verwacht, zoals het individueel begeleiden van leerlingen en het samenwerken met collega’s, ouders of externe instanties, om kennis te delen, nieuwe docenten op te leiden, het onderwijs te verbeteren of onderzoek uit te voeren.

De ALPO bereidt de student voor op de uiteenlopende taken van de moderne leraar en gaat ervan uit dat de student de ambitie heeft om daarin expertise te verwerven. Zij richt zich daarbij op de opleiding van leraren die in de basisschool (op termijn) een specifieke rol krijgen, bijvoorbeeld als schoolonderzoeker, voortrekker van innovaties of coach van collega’s.

Een ambitieuze leraar is nooit uitgeleerd. Dit betekent in de eerste plaats dat afgestudeerden van de ALPO kennis en vaardigheden ten aanzien van de vakinhoud op peil houden of verbeteren (Nederlands, rekenen, aardrijkskunde, etc.).

Daarnaast reflecteert een afgestudeerde ALPO-student op de onderwijspraktijk op basis van empirische gegevens en theorie, zowel wat betreft het eigen lesgeven als de praktijk in de gehele school. Hoe verlopen de lessen? Op welke manier kunnen leerlingen worden gestimuleerd om te leren? Hoe ontwikkelen leerlingen zich? Wanneer hebben zij speciale begeleiding nodig? Wat kan worden verbeterd in de school?

Om deze vragen te beantwoorden, analyseert de afgestudeerde zijn eigen ervaringen, gaat hij te rade bij collega’s of andere deskundigen, verzamelt hij systematisch gegevens en maakt hij gebruik van wetenschappelijke inzichten uit de Onderwijswetenschappen, psychologie, pedagogiek, sociologie en organisatiekunde.

Afgestudeerden van de ALPO zijn in staat om relevante wetenschappelijke literatuur te zoeken en deze kritisch te beoordelen en te gebruiken in de eigen les- en schoolpraktijk. Naar gerichte problemen en vragen kan systematisch onderzoek worden gedaan, alleen of samen met collega’s binnen en buiten de school.

Het steeds verbinden van praktijk, theorie, reflectie en onderzoek zorgt ervoor dat een afgestudeerde van de ALPO zich niet alleen als leraar blijft ontwikkelen maar ook bijdraagt aan de ontwikkeling van de school en eventueel het beroep.

Als expert in de uiteenlopende taken van het leraarsvak is de afgestudeerde in staat een voortrekkersrol te vervullen binnen de school waarin hij of zij komt te werken. Het verwerven van deze expertise is een langdurig proces dat doorgaat na de opleiding, maar met de ALPO wordt een belangrijke basis gelegd.

In de verschillende leerjaren van de opleiding leert de student steeds meer verantwoordelijkheid te nemen in de onderwijspraktijk – eerst voor zichzelf, dan voor de klas, dan voor de individuele leerling, en uiteindelijk voor de school als geheel.

Uitstroomprofiel

Academisch gevormde leerkrachten:
 

  1. beschikken over een brede vakinhoudelijke en vakdidactische kennisbasis;
  2. zijn in staat om inhoudelijk, pedagogisch en didactisch adequaat te handelen op basis van relevante wetenschappelijke kennis;
  3. kunnen op basis van deze kennis systematisch, kritisch en gefundeerd nadenken over problemen die ze tegenkomen (bij individuele kinderen, in de klas, bij de instructie, in de schoolorganisatie, in de maatschappelijke omgeving) en op basis daarvan zo nodig hun handelen bijsturen;
  4. denken ook los van actuele problemen na over mogelijke verbeteringen in de volle breedte van de onderwijspraktijk en voeren deze zo nodig door;
  5. zijn in staat om wetenschappelijk onderzoek op te zetten en uit te voeren ten behoeve van de verbetering van de onderwijspraktijk;
  6. kunnen door onderzoek verworven kennis middels (vak)publicaties delen met onderwijsprofessionals binnen en buiten de eigen school;
  7. nemen initiatieven ter bevordering van condities die voor verbetering van onderwijs en professionaliteit, van zichzelf en anderen, nodig zijn;
  8. blijven werken aan hun eigen professionele ontwikkeling (inclusief het uitbreiden, verdiepen, actualiseren en preciseren van hun kennis en de benutting daarvan).