Het is de zorg van de faculteit dat studenten hun studie gezond doorlopen.

De faculteit kan sommige risico's door maatregelen voorkomen, van sommige risico's kunnen, als ze optreden, alleen de gevolgen worden bestreden.

Op deze pagina’s vind je nadere informatie over de meest voorkomende risico's bij werken en studeren binnen de faculteit Diergeneeskunde.

Veiligheid in het laboratorium is een zaak van de organisatie en van de medewerkers en studenten. Werken in een laboratorium vereist van de gebruiker een houding van bewust en verantwoordelijk gedrag. Als laboratoriumgebruiker moet je beseffen dat er potentieel gevaren zijn voor de gezondheid en veiligheid van jezelf en van collega's. Om deze gevaren tot een minimum te beperken, is werken op een laboratorium aan regels gebonden, die beschreven zijn in het handboek Arbo & Milieuzorg. Medewerkers en studenten in een laboratorium zijn op de hoogte van de inhoud van het labhandboek en voor de specifiek voor dat laboratorium geldende gedragsregels. Zij gedragen zich conform deze regels. 

Algemeen

  • Wetenschappelijk en ondersteunend laboratoriumpersoneel, gastmedewerkers en studenten hebben toegang tot de laboratoria en onderwijsruimtes als zij kennis hebben genomen van dit document.
  • Nieuwe medewerkers, studenten en stagiaires werken slechts in een laboratorium indien zij voldoende zijn geïnstrueerd over veilig en gezond werken. Leidinggevenden, docenten en practicumbegeleiders zijn hiervoor verantwoordelijk.
  • Zij nemen ook kennis van informatie (protocollen, afspraken) betreffende de specifieke activiteiten binnen het laboratorium. Deze informatie is beschikbaar op schrift of via het eigen Intranet.
  • Medewerkers en studenten verdiepen zich in aangeboden informatie. Er wordt van hen verwacht dat zij zich verantwoordelijk voelen voor de veiligheid van anderen. Zij volgen instructies daaromtrent op.
  • Extra aandacht op dit gebied is er voor medewerkers en studenten die geen of slecht Nederlands spreken. Engelstalige documenten over laboratoriumwerkzaamheden zijn beschikbaar.
  • Het management heeft het recht om medewerkers en studenten op grond van herhaaldelijk overtreden van de regels of ander onverantwoordelijk gedrag de toegang tot de laboratoria te ontzeggen.
  • Voor het werken met proefdieren is een bevoegdheid volgens de Wet op de Dierproeven art.9 of 12 vereist én toestemming van een proefdierdeskundige (art.14 functionaris). Studenten en tijdelijk medewerkers werken uitsluitend met proefdieren onder toezicht van een medewerker met een art.9 of 12 bevoegdheid.
  • Werken met GGO's is slechts toegestaan voor medewerkers die zijn aangemeld via de Biologisch Veiligheidsfunctionaris.
  • Werken op RA-laboratoria is slechts toegestaan voor medewerkers die zijn aangemeld via de coördinerend Stralingsdeskundige van de faculteit.
  • Eten, drinken, roken en het bewaren van voedsel in een laboratorium is niet toegestaan. Andersom is het meenemen van laboratoriummateriaal naar zitkamers evenmin toegestaan.
  • Er zijn geen kantoorwerkplekken in een laboratorium. Beeldschermwerk voor het besturen van apparatuur is wel toegestaan evenals kortdurende werkzaamheden die logischerwijs in het lab worden uitgevoerd, zoals het bijhouden van een labjournaal.
  • Elk laboratorium heeft een Arbo- en milieucontactpersoon (AMCP'er) die het eerste aanspreekpunt is voor arbo- en millieuonderwerpen.
  • Algemene hygiëne in een laboratorium betreft het schoonhouden van labtafels, apparatuur, glaswerk, koel- en vrieskasten. Ook in magazijn, spoelkeuken en andere algemene ruimtes gelden de algemene hygiëneregels.
  • Aan het eind van de dag worden alle deuren afgesloten. De laatste medewerker die een ruimte verlaat, controleert of alle apparatuur uit is (m.u.v. de apparatuur welke gemerkt is om 's nachts aan te blijven), gasbranders niet meer branden en de buitenzonwering omhoog is. Ook doet hij/zij het licht uit.

Veiligheid

  • Het dragen van een witte labjas op het laboratorium is verplicht. Het dragen van een witte labjas (en handschoenen) in kantines, koffieruimten en zitkamers is niet toegestaan.
  • In RA-laboratoria worden labjassen gedragen met een rode band op de kraag, in microbiologische laboratoria worden labjassen gedragen met een blauwe band op de kraag.
  • Indien nodig worden persoonlijke beschermingsmiddelen (pbm's) gebruikt: handschoenen (juiste type!), bril, gehoor- en/of ademhalingsbescherming.
  • Het is belangrijk om geschikte schoenen te dragen; in ieder geval dichte schoenen, geen slippers.
  • Het is niet toegestaan om alleen in een laboratorium te werken (beleid alleen werken). Uitgezonderd zijn werkzaamheden die vooraf zijn aangemeld en met toestemming van de manager bedrijfsvoering. Het dragen van een personenbewakingspieper in dergelijke situaties is verplicht.

Gevaarlijke stoffen en gassen

Bij de werkzaamheden in laboratoria wordt gebruik gemaakt van stoffen (vloeibaar of in gasvorm), waarvan sommige brandbaar, explosief, carcinogeen of op een ander manier gevaarlijk kunnen zijn. Daarnaast kunnen reinigings- en desinfectiemiddelen gevaarlijk voor de gezondheid zijn. Rond het werken met gevaarlijke stoffen zijn regels opgesteld die gevaarlijke situaties moeten voorkómen. In het handboek Arbo & Milieuzorg staan verschillende gedragsregels voor het werken met gevaarlijke stoffen beschreven. Op de website Chemwatch kun je nadere informatie vinden over de stoffen waar je mee werkt. 

Anesthesiegassen
In de klinieken wordt gebruik gemaakt van inhalatie-anesthetica: gassen om de patiënt onder narcose te brengen. De meest gebruikte stof daarbij is isofluraan. 
Medewerkers die werken met inhalatie-anesthetica, kunnen door inademing blootgesteld worden aan de stof. Dit kan leiden tot negatieve gezondheidseffecten. 

Onderhoud van de apparatuur, het hanteren van de procedures en opleiding van medewerkers moet zorgen dat de lage blootstelling ook zo zal blijven.

Cryogenen
Op verschillende plaatsen worden cryogenen gebruikt: vloeibare gassen met een zeer lage temperatuur. Aan het werken met cryogenen worden speciale eisen gesteld op het gebied van de inrichting van de ruimte (met zuurstofdetectie), de persoonlijke beschermingsmiddelen die gebruikt moeten worden en de eisen die aan het vervoer van vaten gesteld worden. 

  • De registratie (voorraad en verbruik) van gevaarlijke stoffen (chemicaliën) vindt plaats met het chemicaliënregistratiesysteem (GROS). Op elke afdeling is een chemicaliënbeheerder verantwoordelijk voor de registratie.
  • De opslag van chemicaliën voldoet aan de wettelijke eisen, verwoord in de PGS-15. De werkvoorraad vloeistoffen in het laboratorium is in een lekbak geplaatst (ook in de zuurkast).
  • Oplossingen die bewaard moeten blijven, zijn duidelijk geëtiketteerd. Op het etiket staan de aard van de stof, eigennaam, bereidingsdatum en eventueel houdbaarheid vermeld.
  • Werkzaamheden met risicovolle stoffen of sterk ruikende stoffen worden uitgevoerd in een zuurkast (evt. afzuigkast). De zuurkast wordt gebruikt zoals voorgeschreven, met inachtneming van de maximale raamopening.
  • Alle gemorste chemicaliën en vloeistoffen worden direct opgeruimd. Hiervoor dient in elk laboratorium geschikt absorptiemateriaal aanwezig te zijn.
  • Bij ongevallen met chemicaliën worden de juiste maatregelen getroffen.

Milieu en afval

  • Afvalstoffen en resten chemicaliën worden op een veilige en milieuverantwoorde manier afgevoerd. Gevaarlijk afval wordt gescheiden afgevoerd in een daarvoor bestemd afvalvat. Afvalvaten zijn in een lekbak geplaatst. Afvalvaten waarbij dampen ontstaan zijn in een zuurkast in een lekbak geplaatst en worden na gebruik direct afgesloten of zijn voorzien van een afsluitbare trechter.
  • Het lozen van verontreinigd afvalwater is verboden.
  • Met name het gebruik van milieugevaarlijke stoffen moet tot een minimum worden beperkt, zoals: 
    - zware metalen (cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel, zink, zilver)
    - BTEX (benzeen, tolueen, ethylbenzeen en xylenen)
    - Halogeenrijke organische oplosmiddelen, zoals gechloreerde koolwaterstoffen (CKW). Op deze stoffen vindt monitoring plaats in het afvalwater.
  • Restanten van deze stoffen mogen nooit in het riool terecht kunnen komen!
  • Er wordt gestreefd naar het verminderen van de milieubelasting door afvalpreventie en hergebruik.

Calamiteiten

  • Iedereen stelt zich op de hoogte van de aanwezigheid en werking van brandblussers, blusdeken, oogdouche en nooddouche en van de vluchtwegen.
  • Iedereen stelt zich op de hoogte van de Bedrijfshulpverlening en de organisatie bij calamiteiten.
  • Ongelukken en gebeurtenissen die hebben geleid tot een (bijna-)ongeluk worden gerapporteerd aan de MB en, middels dit meldformulier, aan de afdeling Arbo en Milieu van de faculteit.
  • Ernstige ongevallen worden via de afdeling Arbo & Milieu gemeld bij de Inspectie SZW.

Nieuwe activiteiten

  • Bij nieuwe activiteiten en processen wordt vooraf beoordeeld wat de risico's zijn voor de gezondheid en veiligheid en voor de omgeving en welke voorzieningen nodig zijn. Aandachtspunten zijn o.a. wet- en regelgeving ten aanzien van de gebruikte stof, gezondheidsrisico, energie- c.q. waterverbruik.
  • Bij de inkoop van apparatuur is energie- en waterverbruik een aandachtspunt. Gestreefd wordt naar apparatuur met een laag verbruik.

Werken brengt altijd een lichamelijk belasting met zich mee. Meestal is dat een redelijke belasting die goed vol te houden is en wellicht zelfs een trainingseffect heeft (het gaat steeds gemakkelijker).

Als de belasting te hoog wordt, kunnen er klachten optreden. Elementen die daarin een rol kunnen spelen, zijn:

  • De aard van de belasting (wat doe je, welke vorm van belasting speelt daarbij)
  • De duur van de belasting (hoe lang, hoe vaak)
  • Eventuele omgevingsfactoren (lawaai, onrust, hulpmiddelen, samenwerking)

Er zijn verschillende vormen van fysieke belasting te onderscheiden:

  • Tillen en dragen (gehanteerde norm 25 kg. onder optimale omstandigheden)
  • Trekken en duwen (rijden met karren)
  • Statische belasting (lang in één houding, zitten)
  • Repeterend handelen (frequent herhaalde kleine bewegingen)
  • Trillingen (b.v. chauffeurs)
  • Niet-neutrale houdingen (gebogen, gedraaid werken, boven het hoofd, etc)

Een veel voorkomende belasting is die bij beeldschermwerk. Dit is op zich niet zo speciaal, maar omdat veel medewerkers veel en soms lang achter het beeldscherm werken, verdient het speciale aandacht. De faculteit heeft daartoe een Beleid Beeldschermwerk opgezet.

Klik hier voor de folder 'Beeldschermwerk'.

Neem bij vragen over fysieke belasting of bij klachten die met het werk te maken hebben, contact op met de afdeling Arbo & Milieu, t.2457.

Bij het werk op de faculteit Diergeneeskunde kunnen infecties optreden die te maken hebben met het werk. De faculteit heeft een vaccinatiebeleid opgesteld om medewerkers en studenten waar mogelijk preventief te beschermen of te vaccineren na een incident. De bedrijfsarts en de Arbodienst Zorg van de Zaak hebben daar ook een rol in.

Informatie over:

In de maand september krijgen studenten in het eerste studiejaar van de bachelor eenmalig gratis een tetanus vaccinatie aangeboden. De argumenten hiervoor zijn frequentie verwonding en intensief contact met mogelijk besmet materiaal. Als je al een tetanus- of DTP vaccinatie hebt gehad korter dan tien jaar geleden, dan geeft deze nog voldoende bescherming en hoef je nog niet opnieuw gevaccineerd te worden. Je kunt dit eventueel overleggen aan de hand van je gele vaccinatieboekje. Wanneer en waar de vaccinatie precies plaatsvindt volgt via Nieuws op deze site.

Arbo & Milieu heeft een beleid Preventie en Vaccinaties opgesteld, waarin informatie over de regelingen bij vaccinaties zijn opgenomen. 

Het formulier voor leidinggevenden om toestemming voor vaccinatie te geven vind je hier. Health Services vraagt je ook om een intakeformulier in te vullen. De twee formulieren samen kun je opsturen naar Health Services (adres op het formulier vermeld). Je wordt dan uitgenodigd voor een afspraak.

Kijk voor nadere informatie op de websites:

Arbo & Milieu Diergeneeskunde
Kenniscentrum Infectieziekten en Arbeid KIZA

Zoönosen zijn ziekten die kunnen overgaan van dier op mens. Sommige zoönosen zijn alleen vooral hinderlijk, zoals trichophytie, een door een schimmelinfectie veroorzaakte huidaandoening. Andere daarentegen kunnen ernstige symptomen geven en soms zelfs levensbedreigend zijn. Listeriose bijvoorbeeld kan hersenvliesontsteking veroorzaken.

De ernst van het ziektebeeld kan sterk variëren bij mens en dier. Sommige ziekten verlopen bij dieren zonder symptomen, terwijl zij bij de mens wel ernstige verschijnselen kunnen geven. Leptospirose is een voorbeeld van zo’n zoönose.

In het algemeen geldt dat hygiënisch werken een belangrijke factor is om het risico op infecties te minimaliseren:

  • Was regelmatig en grondig de handen met zeep
  • Desinfecteer gebruikte materialen. Thermometers en endoscopen zijn mogelijke bronnen van infectie
  • Dek wondjes af met een waterafstotende pleister of gebruik handschoenen
  • Draag beschermende kleding en laarzen (met een goed profiel)
  • Gebruik indien nodig handschoenen, mondkapjes en eventueel een veiligheidsbril
  • Wees voorzichtig met naalden, gooi ze direct weg in de daarvoor bestemde naaldcontainers
  • Fixeer dieren goed, eventueel met hulp van collega's
  • Wees extra voorzichtig bij verlossingen van zowel levende als dode vruchten. Zeker zwangere vrouwen moeten contact met abortusmateriaal vermijden.

Nadere informatie is te vinden op de website van het RIVM en van het Kennissysteem Infectie en Arbeid (KIZA).

Nadere informatie over:

Zwangerschap
Bij zwangerschap werkt het afweersysteem op een wat lager niveau dan normaal en de kans op besmetting is groter. Door deze verminderde weerstand is men vatbaarder voor infecties.

Een aantal zoönosen houdt een risico in voor zwangeren omdat zij een abortus dan wel vruchtafwijkingen kunnen veroorzaken. Zoönosen waarvan bekend is dat ze een risico vormen voor zwangeren zijn: Toxoplasmose, Rubellavirus (Rode Hond), Chlamydia psittaci (Papegaaienziekte), Listeria monocytogenes en Leptospirosis Hardjo (Melkerskoorts).

Ook zijn er zoönosen die indirect, via koorts of uitdroging tot problemen kunnen leiden en/of postnataal voor kleine kinderen voor problemen kunnen zorgen.

Allergie is een overgevoeligheidsreactie van het immuunsysteem op allergenen: lichaamsvreemde maar onschuldige eiwitten. Bij sommige mensen wekt blootstelling aan dergelijke eiwitten een immuunreactie op. Allergie komt bij ongeveer 40% van de westerse bevolking voor.

In het werk bij de faculteit kunnen twee vormen van allergie voorkomen:

Latex-allergie: medewerkers en studenten die veelvuldig in aanraking komen met latexproducten, zoals handschoenen, lopen het risico een latexallergie te ontwikkelen
proefdierallergie: medewerkers en studenten die veel in aanraking komen met (proef)dieren kunnen een overgevoeligheid ontwikkelen voor bepaalde eiwitten. 

In het kader van de Arbocatalogus voor Nederlandse universiteiten wordt een hoofdstuk over proefdierallergie geschreven.

Als je als medewerker met (proef)dieren gaat werken, kun je bij indiensttreding een intrede-onderzoek ondergaan. Hiervoor wordt het aanvraagformulier ingevuld en opgestuurd naar Health Services = Zorg van de Zaak (adres op het formulier vermeld). Zij vragen je een vragenlijst proefdieronderzoek in te vullen. Je wordt vervolgens uitgenodigd voor een afspraak.

Biologische Veiligheid omvat een pakket aan maatregelen dat wordt getroffen om de veiligheid van onderzoek en onderwijs met biologische agentia (BA), waaronder ook genetisch gemodificeerde (micro-)organismen (ggo), te waarborgen.

Voor vragen of advies rond biologische veiligheid kun je je wenden tot de twee Biologische Veiligheidsfunctionarissen van de faculteit.

 

Werken op RA-laboratoria is slechts toegestaan voor medewerkers en studenten die zijn aangemeld via de facultaire coördinerend Stralingsdeskundige.

Iedereen hoort veilig te kunnen werken en studeren, ook als je zwanger bent. Het is belangrijk om je bewust te zijn van de risico's van bepaalde werkzaamheden. Het is wellicht niet leuk om in een vroeg stadium de zwangerschap bekend te maken, maar in situaties waarbij extra risico's aanwezig zijn, is dit wel aan te bevelen. Samen met de leidinggevende / begeleider kan worden gekeken of aanpassing van werkzaamheden of werktijden nodig is.

Ben je student en zwanger, meld dit dan aan de studieadviseur. De studieadviseur kan advies geven over studievertraging, mogelijkheden voor financiële steun (afstudeersteun en/of toeslag studiefinanciering) en kinderopvang. Voor informatie over gezondheidsrisico's kun je terecht bij de afdeling Arbo & Milieu.

Wil je nog geen melding doen van de zwangerschap, maar wel informatie ontvangen: mail dan naam, privé-adres, de afdeling waar je werkt (ivm uitdraai risicovolle stoffen) en eventuele specifieke vragen naar Arbo & Milieu. Je gegevens worden vertrouwelijk behandeld.

Klik hier voor de folder 'Kinderwens en zwangerschap' van de afdeling Arbo & Milieu.

Beleid zwangeren

De faculteit informeert zwangere medewerksters actief over het het werk tijdens de zwangerschap. Als een medewerkster meldt dat ze zwanger is, ontvangt zij een brief met informatie die in gesprek met leidinggevende en/of manager bedrijfsvoering besproken kan worden.

Risico's zwangerschap

Er kunnen in de werksituaties verschillende risico's een rol spelen. Elders op deze site kun je daar verder informatie over vinden. Enkele opmerkingen over risico's gerelateerd aan zwangerschap:

Fysieke belasting
De stabiliteit van de gewrichten neemt gedurende de zwangerschap af en door de grotere buikomvang kan het evenwicht sneller worden verstoord. Afhankelijk van het werk dat wordt gedaan kan dit problemen voor de zwangere vrouw opleveren. 

Psychische belasting
In de zwangerschap kan het moeilijker zijn de geestelijke belasting die het werk veroorzaakt, op te vangen. Ook een te hoge werkdruk (stress) is een veelgehoorde klacht tijdens de zwangerschap.

Klimaat
Het is bekend dat zwangere vrouwen een hogere gemiddelde lichaamstemperatuur (+ 0,5°C) hebben, waardoor zij eerder last kunnen krijgen van de warmte (vooral in combinatie met een vochtige omgeving).

Geluid en trillingen
Tijdens de zwangerschap mag men niet worden blootgesteld aan schadelijk geluid (meer dan 80 dBA) omdat het ongeboren kind gevoelig is voor schadelijk geluid. Er wordt overigens vanuit gegaan dat de buik van de moeder een demping van 20 decibel heeft. 
Bronnen van ultrasone trillingen zijn bijvoorbeeld medische apparatuur voor diagnose en behandeling, bepaalde lasapparaten, boren en reinigingsbaden.  

Ongelukken
Bij werkzaamheden met dieren/patiënten bestaat een continu risico op trauma door acties van oncoöperatieve patiënten.  
Risico's kunnen verminderd worden door patiënten zoveel mogelijk te fixeren en bepaalde werkzaamheden niet (alleen) uit te voeren.